Ons kind-beeld – vroeger en nu

In ons kind-beeld komt onze visie op wat kinderen zijn, kunnen doen en nodig hebben samen.
Volgens Van Dale betekent Kind-zijn: nog onvolwassen zijn, een nog ‘onvoltooid mens’ zijn 1.
Dat houdt in dat het nog-niet-zijn of nog-niet-kunnen moeten verdwijnen. Van de ouders wordt verwacht dat zij daarvoor zorgen.

Over hoe dat gebeurt en wat daarvoor nodig is kunnen de meningen sterk uiteen lopen. Afhankelijk van de cultuur, de levensbeschouwing, en/of de tijdgeest hebben ouders hun eigen kind-beeld gevormd en daarmee ook een bijpassend ouder-beeld.
Want hun ouderlijke taak krijgt inhoud door wat ze vinden dat hun kind nodig heeft om goed op te groeien en ‘mens’ te worden. Het uniek menselijke geweten maakt daar deel van uit.
Daarom zijn kind- en ouder-beelden interessant voor onze Zoektocht naar het geweten.

Een Tartaars sprookje

De jongen praat met de vos.
“Hoe ik een mens moet worden? Dat weet ik zelf niet” zegt de jongen die geen ouders heeft. 2

Vroeger, lang geleden
leefde er, door God geschapen
geschapen door de God Pajana
een jongen die geen ouders had.
Had niets te eten
geen kleren om aan te trekken.
Zo leefde hij.
Geen meisje zou hem willen trouwen.
Daar kwam een vos aan.
De vos sprak tot de jongen:
“Hoe moet jij een mens worden?”
De jongen sprak:
“Hoe ik een mens moet worden?
Dat weet ik zelf niet.”


Inhoud

  1. Kind-beeld en cultuur
  2. Ons westers kind-beeld
  3. Kind-beeld in vroeger tijden
    1. Het kind-beeld van twee filosofen
    2. Twee religieuze visies op het kind
  4. Het kind-beeld van Middeleeuwen tot 1800
    1. Enkele voorbeelden
      1, Wat dichter bij huis
    2. Omwentelingen veranderen het kindpbeeld
  5. JeanJacques Rousseau als vernieuwer
    1. De Verlichting
    2. Rousseau over de opvoeding
    3. Kind- en ouderbeeld
    4. Invloed
  6. De Industriële Revolutie en het kind-beeld
    1. Kinderarbeid
    2. Kindbeeld en maatschappij
  7. Kind-beeld in de moderne tijd
    1. Jongeren en jeugdrecht
    2. Afstandsmoeders
    3. Kinderopvang voor baby; s

*** VARIA *** VARIA *** VARIA

  1. Wolfskinderen
    1. De wolf als fabeldier
    2. Stichters van Rome
    3. Wolfsmeisjes in India
    4. Junglebook
  2. Wilde kinderen
    1. Eric, de wilde jongen van Aveyron
    2. Het honden-meisje
    3. Genie
    4. Een jonge Adam

Kind-beeld en cultuur

Kind-beelden komen voort uit bestaande opvattingen binnen een samenleving. Die houden vaak verband met daarin heersende filosofische, religieuze en/of politieke ideeën of overtuigingen.
In de moderne tijd heeft ook de wetenschap er invloed op gekregen, maar heeft daarbij vaak een eigen weg gevolgd.

Daarom bekijken we in dit gedeelte wat de historie ons over kind- en ouderbeelden kan vertellen en in een volgend deel wat de wetenschap daarover zegt ( zie Ons kind-beeld en de wetenschap ). ( is in de maak )

Een voorbeeld

Op Bali worden zuigelingen in de eerste zeven maanden met groot respect behandeld, omdat ze uit goddelijke sferen afkomstig zouden zijn. 3

Dit kind-beeld is op grond van religieuze opvattingen ontstaan. De welhaast goddelijke status van de zuigeling maakt het zorgen voor het kind tot een eervolle taak die daarom graag en consciëntieus wordt uitgevoerd.
Daardoor wordt er, in die belangrijke periode, uitstekend en met plezier voor de baby gezorgd. Het kind voelt zich dan ook welkom en gewaardeerd in de mensenwereld waarvan het terecht is gekomen en deel van gaat uitmaken.

Zodra de baby signalen geeft zal daar alert en met plezier op worden gereageerd. Dat geeft de positieve interacties met vaste verzorgers die voor het kind in die fase zo uitermate belangrijk zijn. 4
Bij het ‘goddelijke’ kind-beeld past een positief ouderbeeld en dat pakt voor kind en verzorgers gunstig uit.

Ons westers kind-beeld

In de canon van onze westerse cultuur hebben kinderen lange tijd geen rol van betekenis gespeeld.
Pas rond 1800 is dat veranderd en komen ze in de literatuur en andere geschriften vaker voor 5 6
Maar welke plaats namen ze vóór die tijd dan in?

Kind-beeld in vroeger tijden

Ondanks deze ‘literaire stilte’ rond de beeldvorming van ‘het kind’ zijn ons uit de dagen van olim wel enkele meningen overgeleverd die, zelfs nu nog, in enige vorm in kind-beelden zijn terug te vinden.

Het kind-beeld van twee filosofen


Ze horen bij de filosofie van Aristoteles, de empirist, en van Plato, die van het bestaan van een Ideeënwereld uitging.

Volgens Aristoteles is een neonaat een tabula rasa (= een ‘onbeschreven blad’) dat alleen door het opdoen van ervaringen de wereld kan leren kennen. Ouders en andere opvoeders hebben daarbij een belangrijke taak.

Volgens Plato is de ziel van de neonaat nog in nevelen gehuld en moet die mist eerst optrekken wil de ziel in contact komen met de wereld van de Ideeën waarin alle wijsheid en kennis is te vinden.
Het kind beschikt dus zelf al over het vermogen om de wereld en zichzelf te leren kennen. Opvoeders hebben vooral een faciliterende rol in dat proces.

In deze sterk uiteenlopende opvattingen komt de nature / nurture -kwestie ( wat is de rol van aanleg, wat van omgeving? ) al naar voren. Bij ieder kind-beeld en bijbehorend ouder-beeld is die van belang.

Twee religieuze visies op het kind

In Bijbelteksten van het NT zijn een aantal uitspraken van Jezus over kinderen te vinden die, in het licht van latere kind-beelden, opvallend positief van aard zijn. Zoals wanneer hij zijn discipelen maant kinderen niet bij hem weg te houden, maar hen te respecteren, omdat ze van hen nog wat kunnen leren: “Laat de kinderen tot mij komen, want het koninkrijk der hemelen behoort toe aan wie is zoals zij.’ 7

In de vroege Middeleeuwen veranderde dat positieve beeld door de leer van de erfzonde (zie bijv. wiki erfzonde ) die door Kerkvaders, zoals Augustinus, is opgesteld. Die leer is later door de leiders van de Reformatie overgenomen.

Volgens deze leer worden mensen zondig geboren en zijn zij, vanwege hun zondige aard, tot het kwade geneigd.
Weliswaar stelt de Rooms-katholieke kerk dat die zondigheid door het doopsel voor een groot deel wordt ‘weggewassen’, maar volgens Protestantse opvattingen gebeurt dat niet.
En bij beide religies blijft de mens (dus ook het kind) tot zonde geneigd.

Opvoeders staan daardoor voor de taak het kind te leren zich te beheersen en/of ongewenst gedrag af te leren.
Deze opvatting is van grote invloed (geweest) op het westerse kind-beeld en dus op de opvoedingspraktijken waarin (lijf)straf veel voorkwam.

Ook hier zien we twee sterk verschillende kind-beelden /ouder beelden die we nog steeds kunnen tegenkomen: het beeld van het (vooral jonge) kind als schuldeloos en onbedorven tegenover dat van het zondige, soms zelfs wrede en angstaanjagende kind. 8

Het kind-beeld van Middeleeuwen tot 1800

Kinderen werden eeuwenlang beschouwd als kleine, onvolkomen volwassenen die al vroeg moesten worden ingezet bij de taken van hun ouders: werken op het land, in het huishouden of in de werkplaats.

Kinderen moesten zich zo snel mogelijk als volwassen gaan gedragen.
Wat wij typisch kinderlijk gedrag’ zouden noemen ( spontaan, speels, uitbundig, onbezonnen, fantasierijk ) was in de ogen van hun opvoeders ongewenst gedrag dat zo vroeg mogelijk moest worden afgeleerd.

Nagebouwd middeleeuws boerenhuis,
met één kamer voor mensen en vee.

Voor de meeste kinderen was er geen onderwijs. Ze waren meestal thuis en maakten, in de houten één-kamer-woningen, alles mee. Ook op het gebied van seksualiteit, ziekte, lijden en dood; ervaringen waarvan wij vinden dat we er, zeker jonge, kinderen voor moeten afschermen.
In die tijd vormden Kinderen geen aparte groep, met eigen kenmerken en behoeften.

Voor de meeste mensen was het leven in die tijd hard en onzeker, geplaagd als ze waren door oorlogen, epidemieën, hoge kindersterfte, volksverhuizingen en de horigheid aan de adel.
Alleen al daarom was er voor een onbezorgde kindertijd geen plaats.

Ook de kinderen van de welgestelden moesten zo snel mogelijk volwassen worden. Het bereiken van seksuele rijpheid was daarbij een mijlpaal.
Jongens moesten in ieder geval met 14 of 15 jaar in staat zijn verantwoordelijkheid te dragen. De opleiding die ze daarvoor moesten volgen was streng, waarbij fouten hardhandig werden afgestraft.
Meisjes kregen al op zeer jeugdige leeftijd allerlei, vaak zware huishoudelijke taken te vervullen. Dochtertjes uit voorname of vorstelijke kringen waren volleerd in representatie, meestal verloofd en soms ook al getrouwd op een leeftijd waarop kinderen tegenwoordig nog met poppen spelen.

Enkele voorbeelden

De Franse filosoof-schrijver-politicus Michel de Montaigne ( 1533 – 1592 ) is bekend om zijn Essais, waarin hij o.a., voor die tijd ongebruikelijke persoonlijke verhalen over zijn jeugd en opvoeding vertelt.
( voor enkele fragmenten: klik op onderstaande regel ).

Wat dichter bij huis

… en in een wat latere periode: iets over de opvoeding van Hugo de Groot ( 1583 – 1645 ) en Christiaan Huygens ( 1629 – 1695 ).
( voor enkele fragmenten daarvan: klik op onderstaande regel ).

Omwentelingen veranderden het kind-beeld

Grote veranderingen rond 1500 brachten het einde van het middeleeuwse leven
op het gebied van de politiek ( zoals de val van Byzantium ), van de handel ( de ontdekkingsreizen ), op religieus gebied ( de Reformatie ) en op dat van filosofie en wetenschap ( zoals de wetenschappelijke revolutie – zie Wetenschap hemels en aards), en, niet in de laatste plaats, de uitvinding van de letter-boekdrukkunst.

Deze ontwikkelingen vormden de basis voor latere revoluties, die voor grote politieke en maatschappelijke veranderingen zouden zorgen en ook het middeleeuwse kind-beeld zouden veranderen.
De belangrijkste zijn de Verlichting ( met een speciale rol voor Jean Jacques Rousseau), de Franse Revolutie en de Industriële Revolutie.

Jean-Jacques Rousseau als vernieuwer

Portret van Jean-Jacques Rousseau
Jean-Jacques Rousseau ( 1712 – 1778 )

In de woelige tijd die voorafging aan de Franse Revolutie (1789–1799) schreef de Zwitsers-Franse schrijver-componist-filosoof Jean-Jacques Rousseau (zie wiki Rousseau ), een boek over opvoeding dat in zijn soort revolutionair is te noemen. 9
Hij wilde een alternatief bieden voor de hardvochtige, op tucht en straf gebaseerde opvoedingspraktijken waartegen inmiddels menigeen bezwaren had, maar waar niemand iets tegenover stelde.
Zijn pedagogiek is niet op strenge tucht gebaseerd, maar op het centraal stellen van de begrippen natuur en vrijheid.

De Verlichting

Rousseau hoort bij een filosofische stroming, die de Verlichting wordt genoemd ( zie wiki de Verlichting ). Deze liet zich o.a. inspireren door de veranderingen die, in de 17e eeuw, door de Wetenschappelijke Revolutie in gang waren gezet.
Hierbij hadden Bijbelse ‘waarheden’ over de kosmos, -die volgens de Kerk onomstotelijk vaststonden-, het veld moeten ruimen voor theorieën die op basis van objectief empirisch onderzoek tot stand waren gekomen ( zie Ons wereldbeeld verandert ).

De groep ‘verlichte denkers’ moet hebben gedacht: “Wat met Bijbelse ‘feiten’ over de kosmos kon gebeuren, moet ook met de onwrikbare ideeën over de mens op het gebied van de praktische filosofie ( ethiek en politiek) mogelijk zijn.”

De bestorming van de burgergevangenis (de Bastille ) aan het begin van de Franse Revolutie.

Zij zetten zich o.a. in voor de persoonlijke vrijheid en de ontplooiing van het individu. Tevens bestreden zij de ongelijkheid wat betreft de verdeling van rijkdom en macht zoals die door het centrale gezag ( Ancien Régime ) en door de r.-k. kerk in stand werd gehouden.

Zij leverden daarmee ideologische argumenten en leuzen voor de Franse en aanverwante revoluties ( zoals “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap”).

De Revolutie bracht kinderen meer in beeld, omdat men ‘jeugd’ met vernieuwing associeerde en daarom jeugdigen bij de boodschap en idealen van de Revolutie betrok.

Rousseau leverde met zijn geschriften niet alleen kritiek op de gevestigde orde, maar ook constructieve bijdragen over politieke thema’s. Zijn ‘sociaal contract10 is het meest bekend. Het had invloed op de teksten van de Franse grondwet en uiteindelijk ook op die van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948.

Een revolutionair kind-beeld

Rousseau verwierp de leerstelling van de r.-k. kerk over de erfzonde, omdat hij vond dat de mens, zoals God die had geschapen, ‘uit de handen’ van de Heer komt en dus van nature goed is.
Hij vond dat de mens zelf de slechtheid in de wereld had gebracht door, in de loop van de tijd, steeds meer onrechtmatige aanspraken op persoonlijk bezit en de daarmee samenhangende macht te maken. Zodoende was de mens door eigen toedoen gecorrumpeerd geraakt.

De oorspronkelijke ‘natuur-mens‘ was, volgens Rousseau, wèl moreel in harmonie met zichzelf en met de rest van de schepping. 11

Rousseau over de opvoeding

Het titelblad van Emile, een beroemd boek over opvoeding dat is geschreven door Rousseau in 1762
Titelblad van
Émile, ou de l’éducation
uitgegeven in 1762.

Rousseau verwerkte Zijn ideeën in een roman over de opvoeding van een jongen: Émile. 12

Hij stelde dat een kind voor de corrumperende invloeden van de maatschappij moet worden afgeschermd.
Hij vond dat het zichzelf en de wereld het beste kan leren kennen door, op zijn eigen wijze, in confrontatie met de ‘harde’ en ‘zachte’ kanten van de natuur, ervaringen op te doen.
Voor de daarbij voorkomende problemen ( die bijv. logisch, natuurkundig of praktisch van aard kunnen zijn) moet het kind zelf een oplossing vinden.

Émile gaat nadrukkelijk over de opvoeding van een jongen. Hoe die van meisjes er uit zou moeten zien heeft Rousseau niet uitgewerkt. Wel vond hij dat meisjes op de eerste plaats moesten leren om te gehoorzamen aan de man.
Dat paste wel bij de intenties van de Revolutie waarbij Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap alleen voor de Franse mannen waren bedoeld en niet voor vrouwen of minderheden.

Natuur

Rousseau’s visie heeft geleid tot idealisering van het onschuldige, puur natuurlijke en spontane kind. Maar ook tot romantisering van de levens van wolfs-kinderen die zouden zijn gezoogd en grootgebracht door wolven.

Hij verwees naar hen, omdat zij wellicht ‘natuur-kinderen‘ bij uitstek zouden kunnen zijn, opgegroeid buiten de verderfelijke invloedssfeer van de menselijke samenleving en in harmonie met de natuur en met zichzelf.

Overigens gebeurt de ‘ideale opvoeding’ van Émile weliswaar in de bossen, maar allerminst in solitaire afzondering. Want voor deze confrontatie met de natuur heeft zijn vader een mentor aangesteld die voortdurend, tot in zijn volwassenheid, als gids aanwezig is. Deze toont zich zeer betrokken bij het doen en laten van zijn pupil en laat hem dat ook vaak weten.

Vrijheid

De vrijheid van Émile houdt niet in dat hij ongestoord alles kan doen waar hij toevallig zin in heeft (= vrij-zijn van … ). Wel dat hij de mogelijkheid krijgt om eigen keuzes te maken en daarmee zelf aan zijn leven richting te geven (= vrij-zijn tot … ).
Dit is een belangrijk onderscheid dat door Rousseau in zijn ‘sociaal contract’ verder is uitgewerkt.

Mijns inziens zou Rousseau’s visie op vrijheid ook in onze tijd verhelderend kunnen werken in discussies die gaan over het recht op individuele vrijheid ( zie bijv. Filosofie Magazine 03-2021 over vrijheid ) ♦ 

Kind- en ouder-beeld

Rousseau’s kind- en ouder-beeld is, met de kennis van nu, niet consistent. Hij vindt dat alleen een opvoeding buiten de samenleving kans van slagen heeft. Zelfs wanneer dat betekent dat een kind geen contact met mensen heeft, maar bescherming en verzorging vindt bij dieren.
Volgens hem blijft zo’n natuur-kind dan misschien wat primitief, maar is een volwaardig mens, puur en in harmonie met zichzelf en zijn omgeving,
Daarnaast beschrijft Rousseau in de ideale opvoeding van Émile een ouder/opvoeder (niet toevallig Jean-Jacques geheten) die volledig beschikbaar is en juist heel betrokken, beschermend, steunend en motiverend is om zijn pupil, tot in diens volwassenheid, te bieden wat hij nodig heeft.

Zowel het ‘natuur-kind’ als Émile groeien op in de bossen. Maar, naar onze huidige inzichten, kan alleen Émile, door de aanwezigheid van zijn mentor, rekenen op een opvoeder die hem kan leren ‘mens te zijn’. Bij dieren is dat niet mogelijk ( zie ook de paragrafen Wolfskinderen en Wilde kinderen aan het eind van deze webpagina ).

Rousseau lijkt er vanuit te gaan dat bij een kind alle gewenste capaciteiten al ‘klaarliggen’ om in de praktijk te worden uitgeprobeerd en geoefend.
Hoe je zonder contact met mensen typisch menselijke vaardigheden moet aanleren, zoals het maken van contact met mensen, non-verbaal en verbaal communiceren, je inleven in, en rekening houden met een ander of, niet te vergeten, het bijbrengen van moraal, etc. maakt hij niet duidelijk.

Rousseau’s kind-beeld lijkt wat betreft de noodzaak van het opdoen van ervaringen op de empirische methode van Aristoteles.
In vergelijking met het middeleeuwse beeld is het kind dat Rousseau schetst, zelf heel actief in wat hij wil uitzoeken en in de manier waarop hij dat doet.
Kinderen hoeven, volgens hem, alleen maar de kans te krijgen om hun natuurlijke, goede capaciteiten, in contact met de natuur, tot ontplooiing te brengen om van hem een volwaardig en deugdzaam mens te maken.
Dit beeld past weer meer bij dat van Plato die stelt dat de ziel in contact moet komen met de wereld van de ideeën, waar alle kennis en wijsheid beschikbaar is ( zie Filosofie Magazine Plato ).

Invloed

In Parijs was Rousseau populair geworden door het componeren van enkele opera’s 13 en het schrijven van een liefdesroman, 14 terwijl ook zijn politieke geschriften gretig werden gelezen.
Zijn opvattingen over kinderen en hun opvoeding bereikten daardoor een groot en breed publiek.

Als schrijver van zijn lijvige autobiografie in romanvorm ( naar eigen zeggen: “Een levensverhaal zoals nog nooit eerder is gepubliceerd”) introduceerde hij een nieuw genre dat navolging kreeg.
In deze Confessions 15 laat hij, aan de hand van zijn eigen verhaal, het belang van ervaringen in de kindertijd zien.
Door dit nieuwe genre kwam er steeds meer waardering voor de spontane en irrationele kanten van kinderen, voor hun eigenheid die niet steeds als onnozel, lachwekkend of ergerlijk/ongewenst werd afgedaan.

Doordat hij in zijn werk de behoeften en mogelijkheden van kinderen onder de aandacht bracht, kwam er beter op kinderen afgestemd onderwijs.
Bekende onderwijshervormers, zoals Maria Montessori en Johann Heinrich Pestalozzi, waren door hem geïnspireerd. 16

Rousseau werd toegejuicht en verguisd. Zo was zijn ‘collega’-schrijver-filosoof Goethe een bewonderaar van hem, terwijl collega Voltaire hem bespotte.

Ook in onze tijd kreeg hij bewonderaars.
Zo heeft Jean Piaget ( zie Kohlberg ) in zijn psychologie ideeën van hem overgenomen, bijvoorbeeld over de rol van ouders in de morele ontwikkeling.
Publieksfilosoof en gewezen ‘Denker des Vaderlands’ Daan Roovers zet Émile bovenaan haar lijstje van favoriete boeken over kinderen. 17

Opmerkingen

Voor onze zoektocht naar het geweten is het interessant dat Rousseau meende dat een kind in de natuur niet alleen zijn verstandelijke vermogens zou kunnen ontwikkelen, maar zich ook, buiten de samenleving, in moreel opzicht tot een deugdzaam mens zou kunnen ontwikkelen.

Mijns inziens is Rousseau in zijn pedagogiek revolutionair, omdat hij zich afvroeg waaraan een kind behoefte heeft om op te groeien tot een individu dat in harmonie leeft met zijn omgeving en met zichzelf; en zich vervolgens afvroeg welke rol de volwassenen daarbij kunnen spelen.
Zijn opvatting dat dit proces zich buiten de samenleving zou moeten afspelen spreekt mij niet aan, maar zijn uitgangspunt: wat heeft het kind nodig? zeker wel.
Het resultaat is een totaal ander kind- en ouder-beeld dan dat van vóór zijn tijd. ♦ 

De Industriële Revolutie en het kind-beeld

Afbeelding van een grote fabrieksstoommachine..
De Industriële Revolutie werd mogelijk gemaakt door de uitvinding van de stoommachine

Rond 1800 werd het effect van een andere omwenteling steeds merkbaarder. Door de uitvinding van de stoommachine konden fabrieken worden gebouwd die de van oudsher bestaande handmatige productiemethoden obsoleet maakten.

Naast de handel waren die fabrieken een nieuwe bron van inkomsten voor de burgerij.
Deze ‘derde stand’ werd daardoor steeds welvarender en machtiger.

Kinderarbeid

Jonge kinderen aan het werk in een fabriek.
Jonge kinderen in een fabriek

Maar die Industriële Revolutie ging ten koste van hen die tot dan toe op het land en met huisindustrie de kost hadden verdiend.
Zij vormden een nieuwe maatschappelijke laag: ‘de armen’ of ‘het proletariaat, of ‘vierde stand’.
Velen van hen verruilden noodgedwongen de horigheid aan de adel voor de nog slechtere arbeidsomstandigheden en slechtere lonen van de fabrieken. Om toch rond te kunnen komen moesten meestal ook de vrouwen en kinderen fabriekswerk gaan doen.

Tekening van een jong kind dat op handen en voeten een kar met kollen door een lage mijngang voorttrekt.
Kinderen moesten in de mijnen zeer zwaar werk doen, zoals trekken van wagentjes met kolen.

Kinderarbeid was het goedkoopst en kinderen konden nog het gemakkelijkst worden uitgebuit. Ze waren daardoor voor de ‘patroons’ interessant. Zij moesten vaak zwaar werk verrichten, maakten lange dagen en werden dikwijls heel slecht behandeld omdat alleen de winst van de fabriek telde.
Soms werden kinderen zelfs door hun wanhopige ouders aan de ‘patroons’ verkocht.

Deze misstanden leverden, in de eerste helft van de 19e eeuw, een nieuw soort literatuur op, waarin het droeve lot van deze onbeschermd opgroeiende kinderen werd beschreven. 18

Het was een nieuw genre dat met name in Frankrijk en Engeland gelezen werd. Vooral de boeken van Charles Dickens (zie wiki Dickens ) die voor een deel op eigen ervaringen zijn gebaseerd. Schrijnende verhalen die mededogen opriepen en de lezer meenamen naar de eigen belevingswereld van kinderen, een wereld waarin men zich tot dan toe nog niet eerder had verdiept. 19
Dit leidde ook tot meer besef van het belang van de kind-fase voor de rest van het leven. 20

Kind-beeld en maatschappij

Een van de idealen van de Franse Revolutie was het invoeren van burgerrechten om daarmee de sociale ongelijkheid die onder het Oude Regime was verergerd op te heffen. Bij een dergelijk streven naar een rechtvaardiger samenleving paste het uitbuiten van kinderen natuurlijk niet.
Er kwam wel verzet tegen deze wantoestanden, maar verandering ervan bleek een moeizaam proces. aangezien de economische belangen van de rijke en machtige fabrikanten te groot waren.

Zo verbood, in ons land, het Kinderwetje van Van Houten (1874) het tewerkstellen van kinderen onder de 12 jaar. Maar dat betekende nog niet het einde van de kinderarbeid. Dat kwam pas na de invoering van de leerplicht ( 1901 ) voor kinderen van zes tot twaalf jaar. Daarbij hoorden boetes voor ouders en werkgevers die werden opgelegd wanneer het kind van school verzuimde. De minimumleeftijd voor arbeid bleef daarna gekoppeld aan de leeftijd waarop de leerplicht ophield.

Verdrag

De samenleving ging zich geleidelijk aan steeds meer verantwoordelijk voelen voor het lot van kinderen.
Dat leidde uiteindelijk tot een modern system van educatie, 21 van kinderbescherming, jeugdrecht en jeugdzorg.

Hiertoe werd, ruim honderd jaar na het Kinderwetje van Van Houten, in 1989, door de Verenigde Naties, het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind unaniem aangenomen.
Dit verdrag betreft alles waar kinderen mee te maken kunnen krijgen. Vanaf hun geboorte tot ze achttien jaar zijn: voeding, school, wonen en gezondheid; maar ook over geloof, ouders, vrienden, mishandeling, kinderarbeid, oorlog en vluchten.
De rechten en plichten van kind, ouders en de Staat staan erin beschreven, gericht op veiligheid en het zich optimaal kunnen ontwikkelen van kinderen ( zie tekst van de kinderrechten )
In het verdrag staat een nieuw kind-beeld beschreven, namelijk dat van de zich ontwikkelende burger. 22

Wetenschap

Rond het begin van de 20e eeuw ligt ook het begin van een wetenschappelijke stroming die zich met de kinderontwikkeling ging bezighouden en waaruit de ontwikkelingspsychologie zou voortkomen.
Dit komt in de aflevering Kind-beeld en wetenschap ( nog in voorbereiding ) aan de orde.

Kind-beelden in de moderne tijd

Zoals we hierboven hebben gezien, zijn kind-beelden erg afhankelijk van sociale en economische omstandigheden.
Dat dwingt tot zelfreflectie en de vraag op welke manier die op dit moment in onze samenleving in kind- en ouder-beelden doorwerken.

We zullen hier drie voorbeelden geven van veranderde kind-beelden: een over jongeren en twee over baby’s .

Jongeren en jeugdrecht

In een recent themanummer van het tijdschrift Justitiële Verkenningen beschrijven de auteurs veranderingen van het kind-beeld op hun vakgebied in de laatste decennia, met de consequenties voor het jeugdrecht. 23

Ten opzichte van de jaren zeventig van de vorige eeuw is men jongeren als mondiger gaan beschouwen, met meer eigen verantwoordelijkheid voor hun gedrag. Jeugdcriminaliteit wordt nu als een grotere bedreiging voor de samenleving gezien, vooral als het gaat om agressieve veelplegers. 24. Een recent voorbeeld daarvan is elkaar bestrijdende, gewelddadige jeugdbendes, zoals die van de drillrappers. 25

Drillrappers dagen hun tegenstanders via social media uit.

De jeugd heeft zijn onschuld verloren‘ is dan ook de conclusie van de auteurs. Het kind-beeld is negatiever geworden, met angst voor ‘het onbeheerste en onbeheersbare kind‘. 26

Dit is opvallend, omdat er vanuit de wetenschap andere geluiden klinken.
Zo wijzen recente neurobiologische inzichten juist op de onrijpheid van het adolescenten-brein dat nog moeite heeft met planning en zelfregulatie ( zie Blair; zie Ons brein-beeld verandert, deel 3, § Takenlijst ).
En ook vanuit de Orthopedagogiek klinkt een tegengeluid dat pleit tegen onjuiste beeldvorming 27

Er lijkt hier sprake van een door angst veranderd maatschappelijk sentiment dat zijn invloed heeft op de rechtspraak. Jeugdwerkers wijzen op het vaak uitzichtloze bestaan van kansarme jongeren, maar ook op de invloed van social media waarmee rivaliserende jeugdbendes elkaar kunnen uitdagen en confrontaties kunnen regelen. De invloed van de sociale media is een heel nieuwe factor die de beheersbaarheid van het gedrag van jongeren vaak negatief beïnvloedt.

Kortom: kindbeelden blijven in beweging en veranderen doorlopend, waarbij meerdere kindbeelden naast elkaar kunnen bestaan. 28

Afstandsmoeders

In september 2021 is een rechtszaak tegen de Staat aangespannen door een vrouw die in de jaren zeventig van de vorige eeuw haar baby direct na de geboorte had moeten afstaan, omdat ze, 21 jaar oud, ongehuwd zwanger was geworden. Ze is toen door haar ouders, vanwege de schande voor de familie, gedwongen haar kind voor adoptie in een kindertehuis achter te laten, terwijl ze zelf voor haar kind had willen zorgen.
Ze kwam daarbij terecht bij de Paula Stichting, een door nonnen gedreven organisatie die ‘gevallen vrouwen’ opnam voor de bevalling en waar de baby’s daarna vaak langere tijd verbleven in afwachting van adoptie.
Net als haar ouders ( en vele anderen in haar sociale omgeving ), vond men ook bij die Stichting het vanzelfsprekend dat deze vrouw haar kind zou afstaan, aangezien ze alleen al door haar ‘misstap’ had laten zien ongeschikt te zijn om kinderen groot te brengen. Dat paste niet bij hun moeder-beeld. 29

De baby’s werden gevoed en verzorgd, maar kregen verder weinig aandacht. Want men wilde voorkomen dat ze een band met hun verzorgsters konden aangaan. Ze zouden dan ‘gewoonten’ kunnen krijgen die niet bij de toekomstige adoptie-ouders zouden passen en een geslaagde adoptie in de weg zouden staan.

Onjuist kind- en ouder-beeld

Dat de baby’s bij deze aanpak ernstig emotioneel werden verwaarloosd, met mogelijk blijvende gevolgen voor hun ontwikkeling 30 paste niet in het toenmalige kind- en ouder-beeld.
Adopties bleken nogal eens, door allerlei problemen bij de kinderen, moeizaam te verlopen. Deze waren echter, volgens de heersende opvattingen, het gevolg van een inferieure aanleg die de kinderen van hun biologische ouders moesten hebben geërfd. Dat de problemen verband zouden kunnen houden met de afstandelijke zorg, die de baby’s in hum eerste levensjaar hadden gekregen, paste niet bij de toen dominante visie op jonge kinderen.

Adoptiewet

Overigens was er sinds 1956 een adoptiewet die voorschreef dat adoptie pas mogelijk was wanneer de ongehuwde moeder duidelijk niet voor haar kind kon of wilde zorgen. Tot het zover was had de Staat, via de Kinderbescherming, zorgplicht voor moeder en kind. Dat voorschrift werd echter vaak niet uitgevoerd.
Ook waren toen de vooruitzichten voor een, vaak minderjarige, alleenstaande moeder, -wanneer ze geen steun kreeg van haar familie-, allesbehalve rooskleurig. Armoede, hulpeloosheid en sociaal isolement lagen op de loer.

Aan een voormalig opperrechter werd, ( in een korte Tv-reportage van EenVandaag), gevraagd wat hij dacht dat een rechter in deze zaak zou kunnen doen. Hij antwoordde dat hij, om te beginnen, zou kunnen proberen vast te stellen op grond waarvan men vijftig jaar geleden er zo vast van overtuigd was met deze aanpak het goede te doen voor kind en moeder. En vervolgens nagaan welke opvattingen het in onze tijd zo vanzelfsprekend maken dat kind en moeder onrecht is aangedaan.
Deze opperrechter wilde dus de kind- en ouderbeelden van toen en nu naast elkaar zetten. Hij was er blijkbaar van doordrongen hoe belangrijk en van hoeveel invloed deze zijn op onze ideeën en handelingen ten opzicht van kind en ouders.

Kinderopvang voor baby’s

Een hedendaags probleem waarbij kind- en ouder-beelden een grote rol spelen gaat om de vraag of kinderopvang voor jonge kinderen, en vooral voor baby’s, geschikt is.
In vergelijking met Duitsland en de Scandinavische landen denken wij meestal positiever over de invloed van die opvang. De grootste meningsverschillen gaan over baby’s jonger dan één jaar. In die landen vindt men het onvoorstelbaar dat kinderen al vanaf zes weken naar de opvang kunnen gaan. In die landen is ouderverlof zo geregeld, dat de ouders in het eerste jaar zelf voor hun baby kunnen zorgen.

Basale zorg

Bij het bepalen of kinderopvang wel of niet goed is voor de ontwikkeling van baby’s zul je je moeten afvragen wat die ontwikkeling inhoudt.
Het kind-zijn verwijst naar het nog-niet-volwassen-zijn ( zie het begin van deze pagina ). Maar is dat een eenvoudig rijpingsproces, zoals van een bloem of een vrucht ( al bij simpele verzorging gaat het goed), of komt daar meer bij kijken?.
Als je van rijping uitgaat, zou de basale zorg die aan de ‘afstandsbaby’s werd gegeven niet tot problemen hebben geleid ( zie vorige paragraaf ).
Een goede ontwikkeling gaat dus blijkbaar niet vanzelf.

Voorstanders van kinderopvang stellen dat kinderen zich “best wel oké” voelen op de crèche, er socialer worden en vooruitgaan in hun cognitieve ontwikkeling. Tegenstanders signaleren hogere niveaus van het stresshormoon bij baby’s op crèche-dagen dan op thuis-dagen. Ze benadrukken het belang van de eerste 1000 dagen voor een voorspoedige (hersen-)ontwikkeling. Ze wijzen vaak op het belang van veiligheid en hechting.
En iedereen heeft het over goede verzorging, terwijl niet helemaal duidelijk is wat die inhoudt.

Baby-pedagogiek

Wat ik mis is uitleg over de opvoeding van baby’s. Dat begrip is voor de meeste ouders pas van toepassing wanneer ze aan hun kind grenzen en eisen gaan stellen. Dat is wat Emde de Don’t-fase noemt. De pedagogiek van de daaraan voorafgaande Do-fase is aan de meeste ouders onbekend. Baby’s moet je verzorgen en opvoeden begint pas wanneer ze gaan lopen en voor ongelukjes moeten worden behoed.

Mijns inziens ontbreekt er dan iets aan het kind-beeld, namelijk de noodzaak om de baby vanaf de eerste dag wegwijs te maken in de volstrekt onbekende wereld waarin het terecht is gekomen. En dat gebeurt grotendeels non-verbaal.
Voor de meeste ouders, echter, moet een baby daarvoor eerst wat grootgroeien en liefst wat kunnen praten.
Maar dat doet geen recht aan de behoeften van de nieuwe wereldburger. Die is er vanaf de laatste weken van de zwangerschap helemaal op ingesteld om die nieuwe wereld en vooral de soortgenoten bij wie het terecht is gekomen zo snel mogelijk te leren kennen.
Miljarden neuronen staan op scherp om zowel ervaringen op te doen die voor houvast zorgen, als die voor veiligheid en voedsel kunnen zorgen ( zie Ons brein-beeld verandert; deel 3 – § Het baby-brein ).

Een klein experiment

Wanneer ik mij indenk in de situatie van starters met een kinderwens, dan zie ik een aantal bergen voor mij oprijzen: ( studie-)schulden, groot gebrek aan betaalbare woningen (koop of huur ), onzekerheid door flexcontracten, om er een paar te noemen.
Maar ook: “Wat doen we met de baby? 31 Als je het beste wilt voor je kind, is kinderopvang dan goed of slecht? En op welke leeftijd en voor hoeveel uren per week?
Thuishouden na het zwangerschapsverlof kan alleen wanneer één of beide ouders korter gaan werken en creatief omgaan met het zwangerschaps- en ouderschapsverlof en vakantiedagen.
En kun je dan nog de hypotheek voor een duur huis krijgen/betalen?
Ze zitten met het dilemma waar veel ouders mee worstelen: moet ik mijn werk inkrimpen om meer tijd te nebben voor de baby? Of is kinderopvang bij baby’s echt een goed alternatief voor ouderlijke zorg?

Ik zie het vóór me: beidem vragen zich af: is er misschien over kinderopvang iets bruikbaars op internet te vinden?.
Ze gaan zoeken.
De een denkt er positiever over dan de ander en stelt de vraag: “Is kinderopvang goed voor baby’s?”
De ander is minder optimistisch en stelt op, eigen laptop, de vraag: “Is kinderopvang slecht voor baby’s? ” 32
Welke hits levert dat op?

“Is kinderopvang goed voor baby’s?”

De eerste hit luidt:

Bron: RTL Nieuws 8 jun. 2017. Citaat van Ruben Fukkink, bijzonder hoogleraar kinderopvang. aan de UvA

“Vanaf drie maanden is het voor de meeste kinderen geen probleem. Daarvan worden ze socialer en leren ze onder andere hoe ze moeten samenwerken. Daarnaast is het goed voor bijvoorbeeld hun taalontwikkeling. Op de opvang kunnen kinderen veel leren en zich goed ontwikkelen.”

“Is kinderopvang slecht voor baby’s?”

De eerste hit luidt:

Bron: AD.nl 13 okt. 2020
Titel: “Wat is beter, je baby op de crèche of thuis? Experts geven antwoord.”

“In ons onderzoek vonden we dat jonge baby’s op crèchedagen
een hogere concentratie van het stresshormoon cortisol in hun
lichaam hadden dan op thuisdagen. Waarschijnlijk komt dit door
de scheiding van de moeder, de verzorging door anderen en een omgeving met meer lawaai.”

Je zou mogen verwachten dat de twee vragen in principe dezelfde hits opleveren. Tenslotte is de strekking van beide vragen: is de opvang goed of slecht?
Maar het algoritme van de zoekmachine heeft een andere missie ( zoveel mogelijk browseractiviteit genereren ).
Daarom reageert het door voorrang te geven aan antwoorden die het best passen bij wat de vraag al suggereert.
Je krijgt dus wat je hebben wilt. En voor je het weet zit je in een ‘bubbel’ met enkel informatie die jouw mening alleen maar bevestigt.

Kind- en ouderbeeld

Wat gebeurt er nu met het kind- en ouderbeeld van onze starters?
Mogelijke invloeden:

  • Het algoritme bevordert tegenstellingen, dus is het voorstelbaar dat ieder in een eigen ”bubbel’ terechtkomt en ze in onenigheid blijven steken. De baby schiet daar natuurlijk niks mee op. Want het zou kunnen zijn dat opvang voor jonge baby’s niet is aan te raden, maar dat opvang vanaf een bepaalde leeftijd en voor een (leeftijdsafhankelijk) aantal uren per week wel aan een voorspoedige ontwikkeling kan bijdragen. 33
  • Maar het kan ook zijn dat de zoekende ouders niet van het vecht-type zijn en samen verder zoeken.
  • In sommige antwoorden klinkt een polemische toon door. Dat kan komen doordat deze kwestie vanuit de emancipatiebeweging tot felle reacties leidt. Daar vindt men dat vrouwen die zelf hun baby willen grootbrengen zich verlagen ten opzichte van de man en het recht op werk voor de vrouw verkwanselen. Dit verwijt versterkt de twijfel bij de aanstaande moeder, met gevolgen voor haar kind- en ouder-beeld.
  • Bovendien is het, mede hierdoor, een politieke kwestie geworden. Ook wordt er vanuit de samenleving steeds vaker een appel gedaan op parttime werkende vrouwen (“Nederland is kampioen part-time werken”) om meer te gaan werken om tekorten te verhelpen. Zeker nu, in de zorg en in het onderwijs. Ook dat heeft invloed.
  • Een extra probleem is dat de informatie waarmee de tegenstanders van vroege kinderopvang de ( toekomstige ) ouders willen overtuigen nogal eens ’technisch’ is. Dat het ’tutten’ met de baby, tijdens voeding, baden, verschonen en spelen, iets te maken heeft met non-verbale communicatie, sensitief ouderschap, sociaal-emotionele en taal-ontwikkeling, veilige hechting, oefenen met wederkerigheid, verwerven van zelf-regulatie en social-referencing, etc. ( ze Emde ) is nog te weinig bekend. En hoe dat allemaal samenhangt met kritieke perioden van de hersenontwikkeling ( zie Ons brein-beeld verandert; dee;l 3– § Het baby-brein ) al helemaal niet
    Dan is het erg aantrekkelijk om je te laten overtuigen door een professor die, zonder veel moeilijke uitleg, geruststellend vertelt dat kinderopvang ook voor jonge baby’s goed is voor hun ontwikkeling. 34

“Wie vertelt mij hoe ik een (volwassen) mens word, want zelf weet ik dat niet.”

De jongen uit het Tartaars sprookje ( zie begin ) zegt duidelijk waar het om gaat. Hij heeft iemand nodig die hem ‘bij de hand neemt’ en de weg wijst in de mensenwereld waarin hij terecht is gekomen en die in alle opzichten totaal nieuw voor hem is.

Wie van de vóór- en tegenstanders van kinderopvang het meest overtuigend kan aangeven hoe een baby ‘mens’ wordt en welke rol daarbij voor de volwassenen is weggelegd, mag, wat mij betreft, claimen het beste kind- en ouderbeeld te presenteren.

De wetenschap

Misschien dat er bij de wetenschap op dit punt houvast te vinden is.
In het volgende stuk: Ons kindbeeld en de wetenschap ( nog in de maak ) gaan we dat nader bekijken.

VARIA *** VARIA *** VARIA

Wolfs-kinderen

Over wolfs-kinderen wordt verteld dat zij als zuigeling door een zogende wolvin van de dood zijn gered door hen in haar nest op te nemen en te voeden.
Dat soort verhalen zijn ‘van alle tijden’ en horen bij de mythen, sagen, sprookjes en fantasieverhalen van een volk.

De wolf als fabeldier

De wolf spreekt tot de verbeelding, wordt geassocieerd met kracht, intelligentie en loyaliteit en krijgt daarom als fabeldier vaak een rol in de mythische wereld van goden, helden en mensen.
Verhalen over wolfs-kinderen zijn populair. Wellicht omdat daarin een mensenkind bij die ’tover’-wereld gaat horen, of tot een wereld waarin nog iets over is gebleven van de paradijselijke harmonie tussen alle schepselen, die in de vroegste tijd zou hebben bestaan.
Rousseau maakt van dat betoverde imago gebruik om zijn theorie over de ‘paradijselijke’ staat van zijn ‘natuur-kinderen’ aannemelijker te maken.
We zullen enkele voorbeelden bekijken om te zien of we de fascinatie voor dit soort verhalen beter kunnen begrijpen.

Stichters van Rome

Romulus en Remes,, stichters van Rome, zouden door een wolvin zijn gevoed. Ze staan hier met een zogende wolvin afgebeeld.
Romulus en Remes,, stichters van Rome, zouden door een wolvin zijn gevoed.

De mythe van Romulus en Remus, de stichters van Rome (zie wiki R&R ) is al zo’n 2300 jaar oud. Zij zouden door hun afkomst (tweeling-zonen van de god Mars, of van de halfgod Hercules) voor de machtshebbers een bedreiging hebben gevormd. Daarom gaven deze opdracht hen in de Tiber te verdrinken. Maar ze werden gered en bij een zogende wolvin ondergebracht. Wat later werden zij ook door vogels gevoed.
Het goede begin had een dramatisch vervolg, want het tweetal kreeg ruzie over de locatie en de naam van de nieuwe stad. Romulus doodde Remus en de stad werd naar hem genoemd: Rome.

Baby’s zijn geen welpen

Het mythologische verhaal over de stichting van Rome zal niet gauw als historische waarheid worden beschouwd. Maar zouden baby’s wel op die manier door een wolvin kunnen worden gered?
Feitelijk is een wolf niet in staat om een baby groot te brengen. Wolvenwelpen zijn binnen een paar weken motorisch heel vaardig en zelfstandig. Ze kunnen dan, veel eerder dan baby’s, worden gespeend. De welpen zijn dan al in staat de door de ouders gebrachte prooidieren op te eten. Ze moeten zich zo gauw mogelijk voorbereiden op de jacht.
Baby’s zijn, net als bij de andere primaten, veel langer volledig van de zorg door volwassenen afhankelijk. Wolven kunnen dat niet bieden.
Toch zijn er verhalen die heel geloofwaardig klinken.

Wolfsmeisjes in India

Een verhaal uit 1920, over twee wolvenkinderen in India, is lange tijd serieus genomen 35.
Het gaat over twee meisjes, Kamala en Amala, die door een lokale geestelijke, directeur van een weeshuis, uit een wolvennest zouden zijn gehaald. Hij zou hen daarna jarenlang hebben geobserveerd en daarvan notities hebben gemaakt. Deze leken echt en betrouwbaar.
Pas onlangs is aangetoond dat zijn verhaal volledig verzonnen is. De directeur hoopte aan de publicatie van zijn verhaal te verdienen, omdat hij geld nodig had voor zijn weeshuis. ( zie wiki Kamala and Amala ).
Mogelijk hoorden de notities en foto’s van de meisjes bij twee autistische kinderen die in zijn weeshuis terecht waren gekomen 36 Het door de mand vallen met zijn zo overtuigend klinkende verhaal maakte weer eens duidelijk dat alle echte wolvenverhalen alleen maar op fantasie kunnen berusten.

Junglebook

Verhalen over wolfskinderren komen in India veel voor. Die vormden de inspiratie voor Kipling’s beroemde Junglebooks ( zie wiki Kipling ) met daarin de avonturen van Mowgli, een Indiase jongen, die als baby door de zorg van een wolvin wordt gered en later door een beer, en onder de bescherming van een panter, vertrouwd wordt gemaakt met de ‘wetten van de jungle’.
Centraal thema in het verhaal is de vraag of zo’n mensenjong, zelfs met een ‘jungle-opleiding’, in zo’n omgeving wel thuishoort.

Mowgli wil graag bij zijn vrienden in de jungle blijven en zelf een ‘jungle-dier’ zijn. maar hij ‘verraadt’ zichzelf door de gevaarlijke tijger met vuur te verjagen ( dat kan alleen een mens ) en vervolgens betoverd te raken door het gezang van een beeldschoon meisje dat hem meelokt naar haar dorp.
Ondanks zijn opvoeding en opleiding door de dieren van de jungle, laat Kipling zien dat Mowgli toch helemaal mens is gebleven.

Mogelijk zijn Kipling’s fantasierijke verhalen een reactie op zijn eigen ervaringen. Hij werd op zijn zesde, vanuit het comfortabele koloniale leventje bij zijn ouders in India, voor zijn opleiding naar Engeland gestuurd. Daar kwam hij terecht in een harteloos gastgezin waar hij werd gestraft en vernederd. Daarna volgde het kille en hardvochtige leven op een slechte Engelse kostschool.
Hij moet erg naar ‘zijn’ India hebben terugverlangd en het hebben geïdealiseerd. Die hunkering heeft hij in betoverend mooie verhalen weten onder te brengen. In de afloop, waarbij Mowgli naar de mensenwereld teruggaat, zou je een acceptatie kunnen zien van het feit dat zijn eigen toekomst in Engeland lag, al was hij daar graag wat van de warmte van zijn junglevrienden tegengekomen.

Rousseau zou in Mowgli, Kipling’s versie van het ‘natuur-kind’, mogelijk met een glimlach, iets hebben herkend van zijn eigen wensfantasie. Mowgli is ondernemend, leert veel, ontmoet goed en kwaad en wordt uiteindelijk de held van het verhaal, zonder zijn menselijke kant kwijt te raken.
Het zou kunnen zijn dat Kipling zich door Rousseau heeft laten inspireren. 37
In Rousseau’s ‘Natuur’ komen echter geen fabeldieren voor die zich het lot van een mensen-welp ter harte kunnen nemen en zich over hem kunnen ontfermen.

Eigenlijk horen wolfskinderen thuis in een bredere categorie: die van de wilde kinderen.

Wilde kinderen

Nog steeds duiken er af en toe berichten op over kinderen die de indruk geven lange tijd niet in contact met mensen te zijn geweest en toch zelfstandig hebben weten te overleven, eventueel in gezelschap van dieren.
Zij worden wilde kinderen genoemd ( zie wiki Feral child ).
We zullen enkele bekende gevallen nader bekijken.

Eric, de wilde jongen van Aveyron

Door het werk van Rousseau, waarin hij refereerde aan wilde kinderen, nam in zijn tijd de belangstelling voor verhalen over hen toe. Zouden zij, zoals hij suggereerde, de vrije, natuur-kinderen kunnen zijn die in harmonie met zichzelf en de natuur levend, aan de corrumperende invloeden van de cultuur en maatschappij waren ontsnapt?

Toen in 1800 de ‘wilde jongen van Aveyron door jagers, na drie jaar, was gevangen, zag ‘heel Parijs’ ernaar uit meer over deze 12-jarige te horen.
Er is toen voor het eerst een serieuze poging gedaan om, -o.a. gebruikmakend van Rousseau’s ideeën-, een betrouwbaar beeld van zo’n wild kind te krijgen. 38
Het resultaat daarvan was echter verwarrend en zeker teleurstellend. Iedereen was tevoren al zo zeker geweest van wat men zou vinden, dat men niet was voorbereid op de echte Eric, zoals de jongen inmiddels was genoemd.

Eric was ondergebracht in een Parijs’ instituut voor doofstomme kinderen. Maar hij was niet doof en toch kon hij niet praten. Hij probeerde voortdurend te ontsnappen, zag er ondervoed en gehavend uit en was alleen maar obsessief met eten bezig.
Hij toonde geen enkele belangstelling voor de mensen om hem heen, zelfs niet voor degene die hem het zo fel begeerde voedsel bracht.

De arts Jean M.G. Itard had het op zich genomen de jongen voor zijn onderzoek dagelijks te zien. Hij dacht aanvankelijk dat Eric uiteindelijk toch een normale jongen zou blijken te zijn, maar dat hij tijd nodig had om zijn nog verborgen capaciteiten te gaan gebruiken.

Itard beschouwde Eric’s wegloopgedrag als een terugverlangen naar de ‘natuurlijke vrijheid’ van de bossen die hem als kind van de natuur dierbaar zou zijn.
Men verklaarde Eric’s gebrek aan communicatie en lage cognitieve niveau een tijdlang vanuit zijn slechte lichamelijke conditie.

Eigenlijk zat men erop te wachten dat in Eric’s ‘menselijke geest’ enkele ‘deuren zouden opengaan’ en hij als mens zou kunnen gaan functioneren. Ze hoopten dat hij dan zou kunnen vertellen over wat er in hem omging en wat hij in zijn solitaire leventje allemaal had meegemaakt.

Hun kind-beeld leek in dat opzicht op dat van Plato: de ‘mist’ moest nog optrekken wilde de ziel contact kunnen maken met de wereld der ideeën, wat hem in staat zou stellen als mens te gaan handelen en reageren.
Maar niets van dat alles gebeurde.

Eric bleek een indolente puber die, behalve voor eten, nergens belangstelling voor had. Itard was nog hoopvol toen de jongen tekenen van seksuele rijping begon te vertonen. Die leidde echter wel tot regelmatig masturberen, maar niet tot meer interesse in zijn medemensen. 39

Na vijf jaar van grote inzet, zonder wezenlijke veranderingen te hebben bereikt, besloot Itard dat verder doorgaan met zijn pogingen in Eric het vrije, pure ‘natuur-kind’ te vinden en van hem een volwaardig mens te maken geen kans van slagen had.
Wat precies de voorgeschiedenis van Eric is geweest, is nooit duidelijk geworden.

Het honden-meisje

In 1983 vond men een meisje van acht jaar in een hondenkennel bij een boerderij. Ze gedroeg zich zoveel mogelijk als een hond, rende op handen en voeten rond en liep blaffend en met haar tanden ontbloot op vreemden af. Ze bleek daar al vanaf haar derde jaar te verblijven. Haar ouders waren beiden zwaar verslaafd aan alcohol en hadden geen aandacht voor haar. Zij had daarom het gezelschap van de honden opgezocht.
Na opname in een pleeggezin kon ze, na enige tijd, haar hondengedrag laten varen, ze leerde vrij goed praten (had waarschijnlijk basisvaardigheden in de eerste drie jaar opgedaan), maar bleef wat beperkt en eigenaardig in het contact.

Pathologie

Inmiddels weten we dat wilde kinderen nooit de idyllische natuur-kinderen zijn die Rousseau in hen meende te zien. Hun, vaak incomplete, verhalen zijn altijd triest en gaan over traumatische situaties, over noodlottig verlies van ouders, over ernstige verwaarlozing en/of mishandeling.
Vaak is dat terug te voeren op ernstige psychopathologie bij de ouders.

Maar ook afwijkingen of een stoornis bij het kind (zoals verstandelijke beperking of autisme ) kunnen een rol spelen. Het is een triest feit dat bij kinderen met een aanlegstoornis verwaarlozing en/of mishandeling vaker voorkomen. Ze lopen daardoor meer risico door weglopen, verstoting of opsluiting een ‘wild kind’ te worden.

Genie

Zoals in het geval van Genie, een 12-jarig meisje tegen wie door haar ouders nooit is gesproken en dat het grootste deel van haar leven in een kleine ruimte opgesloten had gezeten. Haar vader was een extreem gewelddadige man, die zijn vrouw mishandelde en zijn dochter niet wilde leren spreken, omdat ze dan ‘lawaai’ zou kunnen gaan maken, iets waaraan hij een gruwelijke hekel had.
Haar moeder had bij een ongeval een hersenbeschadiging opgelopen, was bijna blind en doodsbang voor haar man. Pas na twaalf jaar durfde ze met Genie uit huis weg te gaan om hulp te zoeken.

Genie kon niet praten. Ze werd een geliefd studieobject voor psycholinguïsten die zich met de taalontwikkeling bezighielden. Deze wilden uitzoeken of Genie, na al die jaren zonder taal te hebben geleefd, alsnog zou kunnen leren spreken of niet. Ze zou dan het ‘bewijs’ kunnen zijn van de theorie over een kritische periode voor het leren van een taal ( zie Ons brein-beeld verandert, deel 3 ).
Het lukte echter niet om met zekerheid aan te tonen dat zij met een normale aanleg ter wereld was gekomen.
Ook in het geval van opsluiting en ernstige verwaarlozing, zoals bij Genie, spreekt men over een ‘wild kind’, ook al is er bij haar van ‘natuur’ geen sprake.

Voor alle bekende ‘wilde kinderen’ geldt dat ze niet in de buurt komen van wat Rousseau bij zijn natuur-kund voor ogen stond.

Een jonge Adam

Ook de jongen in bovenstaand Tartaars sprookje zou je een wild kind kunnen noemen. Hij heeft geen ouders en lijkt in de ongerepte natuur niet te vinden wat hij nodig heeft. Hij weet geen antwoord op de vraag hoe je mens kunt worden.

Zelfs de vos merkt dat hem iets ontbreekt. En het antwoord van de jongen “dat weet ik zelf niet”, impliceert dat hij iemand nodig heeft die dat wel weet, die weet hoe je mens kunt worden omdat hijzelf een mens is.

De jongen is door Pajana, de Siberische god van de schepping, op aarde gezet. Ik vermoed dat het sprookje een fragment is uit een kinderversie van een Siberisch Tartaars scheppingsverhaal. 40
Hij is een soort Adam, eenzaam op zoek naar soortgenoten en een levenspartner.

De mens is nu eenmaal vooral een sociaal dier dat andere mensen nodig heeft om zijn groot arsenaal aan sociale vaardigheden op uit te proberen en te oefenen. Dat is een heel complex traject en vraagt veel tijd. Het moet daarom zo vroeg mogelijk beginnen.
Dit zal uitgebreid aan de orde komen in de volgende aflevering:
Ons kindbeeld in de wetenschap (is in voorbereiding).

——————————–—————— ©2021 horsey

Info over de website → klik op Zoektocht / Home , Wegwijs of Inhoud
Plaats een reactie → scroll naar beneden of klik op Discussie
Met de Terug-knop van je browser ‘spring’ je naar de vorige webpagina.

  1. Van Dale online 2021
  2. uit: Haasse, Hella S. 1959 Dat weet ik zelf niet. Jonge mensen in boek en verhaal.
    Boekenweekgeschenk. Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels. Met dank aan Marijke
  3. Ontleend aan de oratie van M. Riksen-Walraven in 2002: Wie het kleine niet eert… Over de grote invloed van vroege sociale ervaringen. Nijmegen: KUN
  4. zie idem: genoemde oratie
  5. zie Hella Haasse, hierboven
  6. Baggerman, A., & Dekker, R. (2005). Verlichting, revolutie en kindbeeld in Nederland: De periode rond 1800 als keerpunt. Justitiële Verkenningen, 3(5), 1
  7. Mat.19:14
  8. Brinkgreve, C. (2005). De terugkeer van het angstaanjagende kind. Justitiële Verkenningen, 3(5), 2.
  9. Rousseau 1762 Émile, ou de l’éducation. Vertaling: Emile, of over de opvoeding, Boom Klassiek
  10. Rousseau, Jean-Jacques. Du contrat social ou Principes du droit politique 1762
  11. zie Rousseau ( 1762 ) Émile – Introduction
  12. zie idem
  13. Vooral met Le Devin du village had hij succes, zelfs bij Lodewijk V en Madame de Pompadour
  14. Julia, ou de l’amour
  15. eerste deel 1782, tweede 1792
  16. zie bijv. wiki onderwijsfilosofie
  17. zie bijv. interview in Filosofie Magazine 09/ 2017
  18. zie Haasse hierboven
  19. zie Haase hierboven
  20. A. Baggerman en R. Dekker. Verlichting, revolutie en kindbeeld in Nederland; de periode rond 1800 als keerpunt. In: Justitiële Verkenningen, jrg. 31, nr. 5
  21. zie idem
  22. Willems J.C.M. 2005. Het kindbeeld in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. In: Justitiële Verkenningen, jrg. 31, nr. 5
  23. jrg. 31, nr. 5, 2005
  24. Nijboer J.A. Beeldvorming over criminele kinderen en het justitiebeleid. In themanummer, zie boven
  25. zie bijv. artikel in de VK; wie zijn die drillrappers?
  26. Brinkgreeve …
  27. zie Oratie : De mythe van de gewetenloze criminele jongere; op 14 februari 2020; door Frans Schalkwijk, bijzonder hoogleraar Forensische Orthopedagogiek
  28. Brinkgreve, C. (2005). De terugkeer van het angstaanjagende kind. Justitiële Verkenningen, 3(5), 2
  29. zie artikel over afstandsmoeders in de Volkskrant
  30. zie bijv. ITON-publicatie
  31. Eerkens, M. 2012 Wat doen we met de baby? Bertram en de Leeuw uitgevers
  32. wie dit ook wil uitproberen: start met een ‘schone’ browser, zn. een nieuwe installatie van een ander merk. Stel de vragen op twee verschillende tabbladen en ga dan pas de hits bekijken.
  33. zie bijv. advies van Unicef en het NJi ( ontleend aan Eerkens 2012 ) Unicef, ‘Innocenti Report Card 8: “The child care transition” 2008 ; Nederlands Jeugdinstituut, ‘Babyopvang kan beter’, 2010.
  34. Fukkink in bovenstaand AD interview
  35. zie McCrone-2003-Feral children
  36. Bettelheim, B.-1959-Feral Children and Autistic Children. American Journal of Sociology , Vol. 64, No. 5; pp. 455- 467
  37. John Walsh suggereert in de bespreking van een heruitgave dat Kipping ook werkelijk door Rousseau is geïnspireerd. The Independent 30 sep. 2014
  38. Yousef N. 2001 Savage or Solitary?: The Wild Child and Rousseau’s Man of Nature. Journal of the History of Ideas Vol. 62, No. 2 pp. 245-263
  39. Yousef N. 2001 ( ze boven )
  40. zie Leeming, David A. 1937. Creation myths of the world : an encyclopedia, 2nd rev. ed. 1994

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *