Kohlberg – gewetensontwikkeling

Lawrence Kohlberg
Lawrence Kohlberg
(1927 – 1987)

Kohlberg raakte tijdens zijn psychologie-opleiding geïnteresseerd in de morele ontwikkeling. In die tijd waren Freuds theorie en die van de behavioristen op dat gebied dominant, maar ze spraken hem niet aan. Toen hij echter met een vroeg werk van Piaget kennismaakte inspireerde dat hem wel.

Inhoud

  1. Piaget en de cognitieve ontwikkeling
  2. Piaget en de morele ontwikkeling
  3. Kohlberg en de morele ontwikkeling
    3a. Kohlbergs fasemodel
    3b. Reacties op Kohlbergs theorie
  4. Conclusie

    — Varia – Varia – Varia —
  5. De onbekende Piaget
    ***Ontwikkelingspsycholoog, filosoof en … bioloog
    *** Van klaslokaal tot neurowetenschap
  6. Piaget als inspiratiebron voor onze zoektocht
    *** Piaget, de bioloog, ontdekt Darwin
    *** Piaget, de filosoof, ontdekt Freud
    *** Piaget, de psycholoog, ontdekt de epistemologie
    *** Evaluatie

Piaget en de cognitieve ontwikkeling

jean-piaget
Jean Piaget (1896 – 1980)

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er in de psychologie een stroming op gang die de cognitieve revolutie wordt genoemd.
Daarin speelde de Zwitserse psycholoog en filosoof Jean Piaget een belangrijke rol.
Zijn werk was vooral van belang voor de ontwikkelingspsychologie en de onderwijskunde.

Tijdens zijn psychologie-opleiding raakte Piaget gefascineerd door de vraag hoe kinderen iets leren, en dus kennis verwerven.
Hij toonde zich een briljant onderzoeker en theoreticus die vooral met zijn theorie over de ontwikkeling van de intelligentie bekendheid kreeg. 1
Dit valt onder de cognitieve ontwikkeling.
Hij meende dat die stapsgewijs verloopt en valt onder te verdelen in vier stadia die elkaar in een vaste volgorde opvolgen.

Zijn filosofisch werk is niet erg toegankelijk en raakte daarom minder bekend. Hij schreef publicaties op het gebied van de kennistheorie. 2
Toch zijn het juist deze achtergronden van zijn ontwikkelingstheorie waardoor hij, op zijn vakgebied, wereldberoemd is geworden.
(zie verder de paragraaf onderaan dit hoofdstuk: De onbekende Piaget)

Piaget en de morele ontwikkeling

In 1932, -al vrij vroeg in zijn loopbaan-, heeft Piaget zijn ideeën over de morele ontwikkeling gepubliceerd. 3 Maar pas decennia later, toen de Engelse vertaling van dit boek in Amerika was verschenen 4 kregen zijn ideeën invloed op dit terrein.

Piaget baseerde zijn theorie over de morele ontwikkeling op observaties van kinderen tijdens hun spel.
Daarbij analyseerde hij de manier waarop ze met elkaar over de regels van hun spel redeneerden.
Hij meende dat kinderen van elkaar, en niet van hun ouders of andere opvoeders, morele regels leren kennen en gebruiken.

Hij onderscheidde daarbij drie stadia:

  1. pre-conventioneel
  2. conventioneel (= aangepast aan de eigen sociale groep)
  3. post-conventioneel

Deze stadia zijn later door Kohlberg verder uitgewerkt (zie hieronder).
Net als bij de cognitieve ontwikkeling, ging hij ook hierbij ervan uit dat deze stadia zich in een vaste volgorde ontwikkelen.
Want Piaget meende dat de morele ontwikkeling deel uitmaakt van de cognitieve ontwikkeling.

Daarnaast ontleende hij, voor zijn opvattingen over moraliteit, veel aan de filosofie van Immanuel Kant 5. Zoals het universele, generaliseerbare en verplichtende karakter van morele opvattingen (“Wat goed is moet gedaan worden”), evenals het centraal stellen van rechtvaardigheid als ethisch principe.

Piaget heeft zich, na publicatie van zijn boek in 1932, zelf niet meer met de bestudering van de morele ontwikkeling beziggehouden.

Kohlberg en de morele ontwikkeling

Kohlberg geeft een voordracht
Kohlberg tijdens een voordracht

Kohlberg zag in Piagets theorie over de morele ontwikkeling een model dat paste bij zijn eigen ideeën daarover en bij zijn grote belangstelling voor de filosofie. 6

Zo was de manier waarop Socrates over morele kwesties redeneerde voor hem een belangrijke inspiratiebron (zie filosofie.nl Socrates) .

Kohlberg heeft Piagets theorie voor de morele ontwikkeling verder uitgewerkt en uitgebreid.
Zo integreerde hij In zijn theorie een aantal denkbeelden uit de moraal-filosofie die hij vond passen bij de verschillende stadia van zijn model.
Hij meende zelfs dat zijn theorie antwoord kon geven op grote vragen van de ethiek.

Kohlbergs fasemodel

Kohlberg ging voor zijn theorie van de morele ontwikkeling uit van de drie stadia die Piaget daarvoor had bedacht. Hij verdeelde deze ieder weer in twee fasen, waardoor zijn eigen model zes fasen ging tellen.

Hij kwam tot zijn fase-indeling door het bestuderen van de morele oordeelsvorming (‘moral judgemen’). Hiervoor legde hij morele dilemma’s voor aan proefpersonen van verschillende leeftijden.
Hun antwoorden kon hij groeperen en onderbrengen in een zes-fase-model, met van laag tot hoog oplopende niveaus van moreel redeneren.

  1. Het pre-conventionele stadium past bij het niveau van kinderen jonger dan 7 jaar.
    Hierbij staat, volgens Kohlberg, egocentrisme op de voorgrond.

    1. Angst voor straf domineert de eerste fase.
    2. Streven naar eigen voordeel domineert de tweede.
    ——-
  2. Het conventionele stadium past bij kinderen van 7 tot 12/14 jaar.
    Hier bepaalt aanpassing aan de eigen sociale groep de moraal.

    3. Het oordeel van de sociale groep is in de derde fase bepalend voor het onderscheid tussen goed en kwaad.
    4. Een ‘law and order‘-opvatting kenmerkt de vierde fase.
    ——-
  3. Het post-conventionele stadium is het hoogst haalbare en kan pas vanaf +/- 14 jaar worden bereikt.
    Hier wegen ethische principes het zwaarst.

    5. Persoonlijke overtuiging is in de vijfde fase al belangrijk, maar nog ondergeschikt aan de gemeenschapszin.
    Hier domineren daarom democratische en utiliteits-principes (“goed is wat zoveel mogelijk mensen gelukkig maakt”). Kohlberg zag in deze opvatting de filosofie van Mill (zie filosofie.nl Mill) terug.
    6. Persoonlijke ethische principes zijn in de hoogste fase belangrijker dan op democratische wijze tot stand gekomen meningen. Deze ethische principes krijgen daarbij ook een verplichtend karakter (“wat goed is, moet ook worden gedaan”). Kohlberg verbond dit met de categorische imperatief van Immanuel Kant (zie filosoie.nl Kant) en met de filosofie van Rawls (zie filosofie.nl Rawls).
    ——–

Bij Kohlberg is het morele niveau sterk afhankelijk van het cognitieve niveau. Zo zijn kinderen pas vanaf hun 12de tot 14de jaar tot abstract denken in staat en dus pas dan tot abstract redeneren.
Volgens Kohlberg komen de meeste volwassenen echter niet verder dan fase vier.

Reacties op Kohlbergs theorie

Aanvankelijk is zijn theorie, als onderdeel van de cognitieve revolutie, door velen enthousiast ontvangen. Die bood een heel nieuwe aanpak en leek alle antwoorden te kunnen geven op brandende vragen over de morele ontwikkeling.
Zijn methode van categoriseren van ‘moral judgments‘ heeft zeer veel onderzoek gegenereerd, waarmee zijn opvattingen jarenlang het debat en de research op het terrein van de morele ontwikkeling konden domineren.

Kritiek

Er kwam echter steeds meer kritiek op zijn model en methode van onderzoek.
Deze gold zijn overtuiging dat er aan de vaste volgorde van de zes fasen niet getornd mocht worden, terwijl dit aspect van Piagets theorie op andere gebieden van de cognitieve ontwikkeling steeds minder steun kreeg.
Verder bleek Kohlberg voor het bestaan van zijn zesde fase onvoldoende empirisch bewijs te kunnen leveren.
Tevens werd steeds meer betwijfeld of uitspraken over morele dilemma’s ook voldoende het feitelijke gedrag van de onderzochte proefpersonen konden voorspellen. Bijvoorbeeld zou de neiging om sociaal wenselijke antwoorden te geven de voorspellende waarde ervan teniet doen.

De zwaarstwegende kritiek kwam van feministische zijde.
Gilligan 7 verweet Kohlberg dat in zijn abstracte begrip van rechtvaardigheid geen plaats is voor gevoelens van zorg, medeleven en verantwoordelijkheid voor anderen, terwijl zij van mening was dat voor moreel gedrag deze attitudes minstens zo belangrijk zijn als rechtvaardigheid.
Dit bezwaar vond veel weerklank.
Gilligans opvattingen worden ‘care-based morality‘ genoemd.

Een ethische kwestie 8

Je zou je kunnen afvragen of Kohlberg zich met zijn theorie niet teveel op filosofisch terrein heeft begeven.
Zijn fase-indeling is bedoeld om de stadia van de morele ontwikkeling te beschrijven. Die gaat van laag naar hoog, gekoppeld aan het cognitieve niveau.
Die koppeling suggereert, mijns inziens, dat met iedere hogere fase ook in ethisch opzicht een meer hoogstaand niveau wordt bereikt.
Dat lijkt me een aanvechtbaar standpunt, zeker voor de twee hoogste fasen. Daarbij gaat het immers om een ethische kwestie en is het onderscheid dus van levensbeschouwelijke aard. Zo’n stellingname past niet in een theorie binnen de, in filosofisch opzicht, ‘neutrale’ ontwikkelingspsychologie. 9

Conclusie

Kohlbergs theorie leek twee decennia lang (in de zeventiger en tachtiger jaren) het definitieve antwoord te kunnen geven op vragen over de morele ontwikkeling.
Veel onderzoekers hadden moeite met Freuds ideeën op dat gebied (zie Freud) en met het determinisme van de behavioristen (zie Behaviorisme)

Kohlbergs theorie had daarentegen veel aantrekkelijke kanten. Deze stelde de van oudsher hooggewaardeerde ratio centraal en leverde schier eindeloze mogelijkheden voor het doen van onderzoek op, met goed te operationaliseren variabelen.

Ingewikkelde en moeilijk te onderzoeken concepten als ‘internaliseren van normen en waarden’, ‘onbewuste motieven’, ‘morele emoties’, of ‘empathie’ ontbraken.
Alles was helder en moraliteit was niets anders dan een aspect van de cognitieve ontwikkeling.

Inmiddels spreken zelfs fervente aanhangers van Kohlbergs theorie van het post-Kohlberg-tijdperk. 10 11
Toch verschijnt zijn fase-indeling nog steeds in publicaties, mogelijk vanwege de behoefte aan een hanteerbaar model en het ontbreken van een goed en consistent alternatief.

Voor onze zoektocht blijven zijn onderzoeksresultaten interessant vanwege de enorme hoeveelheid informatie over de manier waarop mensen over morele dilemma’s kunnen redeneren.

Voor het overige beperkt zijn ontwikkelingsmodel zich teveel tot cognitieve en ethische aspecten.
Een bespreking van het geweten als psychische functie ontbreekt.
Dat gaat om vragen als: hoe werkt ons geweten?; wat is de oorsprong ervan?; hoe ontwikkelt het zich?; wat merk je ervan?; wat beïnvloedt het?; hoe kan het (gaan) disfunctioneren?.

Daardoor ontbreken de mogelijke invloed van aangeboren en onbewuste factoren; de rol van emoties en van relationele en interactionele (of culturele) invloeden op de morele ontwikkeling.

Deze zijn wel terug te vinden in de meeste recente opvattingen en theorieën over de gewetensontwikkeling (zie daarvoor Inhoud: Recente theorieën; of zie Zoektocht naar het geweten ).


VARIA — VARIA — VARIA

De onbekende Piaget

Voor onze zoektocht naar het geweten is Piaget van belang vanwege zijn publicatie over het moreel redeneren van kinderen. 12 Deze vormde de basis voor de hierboven beschreven theorie van Kohlberg over de morele ontwikkeling.
Maar er is meer waardoor Piagets werk en ideeën voor ons interessant kunnen zijn.

Ontwikkelingspsycholoog, filosoof en … bioloog

Jean Piaget met onafscheidelijke pijp en alpinopet

Piaget is vooral bekend door zijn fasetheorie over de ontwikkeling van de intelligentie bij kinderen (cognitieve ontwikkeling. 13

Minder bekend is zijn filosofische werk dat een bijdrage levert aan de kennistheorie, zoals over het structuralisme 14 (zie Wiki Structuralisme en het constructivisme (zie Wiki Constructivisme), terwijl dat voor de onderbouwing van zijn psychologie essentieel is.
Juist vanwege zijn vernieuwende ideeën op het gebied van de wetenschapstheorie heeft zijn werk grote invloed gehad, ook buiten de ontwikkelingspsychologie.

Toen ik me hierin verdiepte, bleek (tot mijn verrassing 15) dat Piaget, net als Freud (zie Freud: De onbekende Freud), als bioloog aan zijn wetenschappelijke carrière is begonnen en dat Darwins ideeën zijn werk sterk hebben beïnvloed.

Van klaslokaal tot neurowetenschap

Piaget zorgde voor de emancipatie van de ontwikkelingspsychologie. 16
Hij verrijkte de psychologie met nieuwe concepten voor het beschrijven van mentale functies en processen en ontketende daarmee de cognitieve revolutie binnen de psychologie.
En hij bood de onderwijskunde houvast voor het opstellen van onderwijsprogramma’s (welke leerstof bied je aan?; op welke leeftijd en hoe?).
Dit speelde zich al tijdens zijn leven af.

Na zijn overlijden (1980) is zijn werk een inspiratiebron geweest voor de neurowetenschap. Het onderzoek in de ‘cognitive neurosciences‘ raakte in een stroomversnelling toen de niet-invasieve methode van de fMRI beschikbaar was gekomen (zie Blair ).

Piagets cognitieve theorie bood een heel bruikbaar theoretisch kader voor het bestuderen van mentale functies en processen in relatie tot de zichtbaar gemaakte cerebrale activiteit.
Onderzoekers die leerprocessen, en dus de geheugenfunctie, bestuderen vonden houvast in zijn ideeën over kennisverwerving.

Piaget als inspiratiebron voor onze zoektocht

Piagets theorie van de cognitieve ontwikkeling heeft een brede scope en blijkt voor diverse vakgebieden te ‘werken’, iets dat een kenmerk is van een goede theorie.
Bij onze zoektocht naar (de ontwikkeling van) het geweten zijn we ook op zoek naar een goedwerkende psychologische theorie.
Dat maakt het interessant om ons wat verder in de achtergronden van Piagets denkbeelden en hypothesen te verdiepen. 17 18

Piaget, de bioloog, ontdekt Darwin

Al in zijn jonge jaren 19 was Piaget gretig op zoek naar kennis, vooral op het gebied van de Natuurlijke Historie (nu Biologie genoemd).
Zo observeerde hij vogels en schreef daarover, al op zijn tiende jaar, zijn eerste publicatie.
Hij raakte vervolgens geboeid door de verzameling mollusken (weekdieren, meestal schelpdieren) in het plaatselijk museum.

Uit zijn observaties kwamen theorieën voort die hij steeds de vorm van publicaties gaf, omdat hem dat hielp zijn gedachten te ordenen. Hij kreeg daardoor al op jonge leeftijd enige bekendheid op biologisch gebied.

Voor hem waren de mollusken meer dan zomaar primitieve dieren. Hij zag ze als organismen die zich in hun natuurlijke omgeving moesten zien te handhaven en zich daarom zo goed mogelijk aan hun omgeving aanpasten.
Ze inspireerden hem om zich in algemene principes van overlevingsprocessen te verdiepen.
Dit legde de basis voor zijn verdere werk, waarin de invloed van Darwins evolutietheorie goed merkbaar is. 20

Piaget, de filosoof, ontdekt Freud

Als adolescent kreeg hij interesse in de filosofie, vanwege de tegenspraak tussen de religieuze en de natuurhistorische leerstof op school.

De turbulente huwelijksrelatie van zijn ouders bracht hem ertoe zich enige tijd in de psychoanalyse te verdiepen. Hij is, rond zijn twintigste, zelf acht maanden, bij een leerling van Freud, in psychoanalyse geweest. Hij vond dit zelfonderzoek een boeiende onderneming; zoals het zich verdiepen in de herinneringen aan zijn kindertijd.

Maar hij verwierp al de Freudiaanse interpretaties die zijn analytica hem voorhield. Daarom beëindigde zij de ‘behandeling’, ook al had Piaget zijn intra-psychische verkenning, -zij het wel op zijn geheel eigen wijze-, nog graag voortgezet. 21 22
Hij ontweek daarna de ouderlijke conflicten door zich helemaal op zijn studie te storten.

Freuds conflictmodel en nadruk op (seksuele) driften (zie Frued ) sprak Piaget niet aan. Maar mogelijk heeft hij toch wat aan zijn ervaring met de psychoanalyse overgehouden.
Zoals het gebruiken van mentale construcies/concepten.
Of het bestaan van onbewuste processen en motivaties.
Of het dóórvragen op de antwoorden die zijn proefpersonen hem gaven, om achterliggende redenen/redeneringen aan het licht te brengen 23 (zie hieronder).

Piaget, de psycholoog, ontdekt de epistemologie

Toen hij op zijn 21e jaar als bioloog afstudeerde, was zijn thesis gewijd aan de mollusken. Hij wilde daar echter niet zijn levenswerk van maken. Na een kennismaking met psychologische onderzoekstechnieken, ging hij aan de Sorbonne, (Parijs) psychologie en filosofie studeren.

Hij kreeg toen de opdracht de intelligentietest die Binet en Simon (zie Wiki Binet ) daar ontwikkelden te standaardiseren door het testen van Parijse schoolkinderen.
Hij begon met tegenzin aan deze taak.

Eigen onderzoek

Die tegenzin verdween toen hij zijn onderzoeksmethode, -op eigen initiatief en buiten zijn superieuren om-, ging aanpassen.
Daarbij stelde hij niet alleen de standaardvragen die bij zijn opdracht hoorden, maar begon, na het antwoord op zo’n vraag te hebben gekregen, in een soort interview nader op die antwoorden in te gaan.
Hij wilde daardoor ontdekken welke achterliggende redeneringen van een kind tot diens antwoord hadden geleid.

Piaget raakte gefascineerd door wat hij te horen kreeg en realiseerde zich toen dat hij eindelijk had gevonden waarnaar hij al zolang had gezocht: onderzoek doen naar de manier waarop kennis wordt verworven (=genetische epistemologie 24 )
Hij zou zijn hele, lange werkzame leven aan dit onderwerp wijden.

Piagets theorieën en bijbehorende filosofie zijn niet erg toegankelijk. Ze hebben een hoog abstractieniveau, zijn moeilijk te doorgronden en zijn (geheel conform zijn eigen ideeën) in de loop van zijn leven steeds opnieuw aan nieuwe bevindingen aangepast.

Enkele korte indrukken

Een beknopte beschrijving van zijn theorie blijft altijd erg onvolledig. 25
Daarom beperk ik mij tot enkele opvallende kenmerken van zijn epigenetische epistemologie (die ik hier kennisopbouw zal noemen).
Daarna geven een animatie en drie video’s korte indrukken van zijn ideeën en wijze van onderzoek.

Kennisopbouw …

  1. staat in dienst van de overleving.
    • en stelt ons in staat om ons zo goed mogelijk aan onze leefomgeving aan te pasten.
    • Die omgeving ‘bouwt’ dus mee aan onze kennis.
  2. is al door onze genen voorbereid.
    • Daardoor zijn we geneigd om de wereld, al vanaf de geboorte, actief te verkennen, op zoek naar nieuwe ervaringen
    • De pasgeborene reageert met ‘actiepatronen‘ (zoals zoekreflex, zuigreflex, drinkreflexen) op prikkels uit de omgeving Die zijn primair bedoeld ervoor te zorgen dat het kind zijn voeding binnen krijgt (overleving). Vervolgens kan het met diezelfde aangeboren actiepatronen meteen beginnen met de mond de omgeving te verkennen (aanpassing).
  3. is een proces
    • dat continu en in heel kleine stappen verloopt
    • dat twee vormen van aanpassing kent (assimilatie en accomodatie) waardoor onze kennis voortdurend wordt bijgesteld, aangevuld of vernieuwd,
    • dat zelf-regulerend en zelf-organiserend verloopt, waarbij het grotendeels buiten ons bewustzijn blijft
    • dat enkele grote stappen maakt op momenten dat de cerebrale ontwikkeling een nieuwe fase in het denken mogelijk maakt
    • dat daardoor vier stadia kent
  4. verloopt in vier stadia
    1. sensori-motorische fase ; 0 tot 2 jaar; gekenmerkt
      door actie en waarneming (exploratie)
    2. pré-operationele fase ; 2 tot 7 jaar; gekenmerkt
      door taalontwikkeling, fantasie en magisch denken
    3. concreet operationele fase ; 7 tot 11/12 jaar; gekenmerkt
      door gebruik van symbolen en eenvoudig logisch redeneren
    4. formeel operationele fase ; vanaf 12 jaar; gekenmerkt
      door abstract denken, hypothese-vorming, e.d.
KLIK OP DE AFBEELDING: Animatie (7 min. NL)
Over de vier fasen in de theorie van Piaget.

Conservatie: wat begrijpt een kind daarvan?

KLIK OP DE AFBEELDING: (3.50 min. EN)
Conservatie-taken door een kind van 4.5 jre

Piaget wilde weten hoe kinderen denken over allerlei onderwerpen.
De meest bekende ‘tests’ gaan over concrete zaken, zoals hier over het begrip ‘evenveel’ (conservatie)
Wat begrijpt dit kind daarvan als het gaat over aantal, lengte, vloeistof, substantie en oppervlak?

KLIK OP DE AFBEELDING (6.47 min. NL)
Conservatie van substantie, op 4 leeftijden

Conservatie-taak uitgevoerd door kinderen die in leeftijd verschillen: één in de tweede fase, één in de derde fase en twee op de grens van die twee. Volgens de theorie moeten ze In de derde fase het probleem kunnen oplossen.

KLIK OP DE AFBEELDING (8 min. NL)

Conservatietaak voor vloeistof.

Hier zitten kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar en kunnen elkaars redeneringen horen.

Kunnen ze van elkaar leren?

Evaluatie

Piaget is erin geslaagd de ontwikkelingspsychologie een volwassen status te bezorgen binnen de sociale wetenschappen.
Zijn theorie heeft een brede scope en heeft zowel op wetenschapstheoretisch (kennisleer, structuralisme, constructivisme), als op praktisch gebied (klinische diagnostiek, onderwijskunde) zijn waarde bewezen.
Ze is terecht nog steeds de ontwikkelingstheorie die tot voorbeeld dient voor alle andere psychologische ontwikkelingstheorieën.

Zijn theorie heeft natuurlijk zowel haar sterke als zwakke kanten. Hieronder een beknopte poging tot evaluatie daarvan.

Sterke punten

  • Empirische basis
    Piaget heeft zijn theorie gebouwd op zeer uitgebreide en nauwkeurige observaties van kinderen, eerst door hemzelf, later samen met zijn team. De nauwkeurigheid van zijn werkwijze doet denken aan die van andere biologen: de ethologen (zie de Waal).
  • Verwantchap met Darwins evolutietheorie
    Zijn ontwikkelingsmodel is geïnspireerd door het oermodel van alle ontwikkelingstheorieën: Darwins evolutietheorie.
  • Zoals Darwin het evolutieproces graag vergeleek met de ontwikkeling van een embryo, deed Piaget datzelfde voor het proces van kennisopbouw, dat hij graag ‘cognitieve embryologie’ noemde.
  • Ook Piagets ideeën over de opbouw van kennis en mentale structuren (continu proces van verandering/aanpassing aan de omgeving) lijkt op het verloop van het evolutieproces.
  • Verwantschap met moderne ontwikkelingstheorieën.
    Vooral in de sensori-motorische fase blijkt zijn opvatting over nurture/nature-invloeden op die van moderne infant-researchers (zie Emde) en neurobiologen (zie Ons breinbeeld verandert – deel 3) te lijken.
  • Zijn beschrijving van mentale processen voor kennis-verwerven, geheugen en andere cognitieve vaardigheden stond aan de wieg van de ‘cognitive neurosciences’ die na zijn dood tot bloei kwamen (zie Blair en Ons breinbeeld verandert – deel 3).

Zwakke punten

  • Fasetheorie
    Zij karakterisering van de vier stadia (vaste volgorde, overgang van alle cognitieve vaardigheden tegelijk, universeel) is als te rigide door neo-Piagetianen bijgesteld, al blijven de fasen voldoende ‘overeind’. 26
  • De rol van emoties
    Emoties komen te weinig aan bod. Piaget vond ze belangrijk als motiverende krachten voor het leerproces. Later heft hij, in de serie interviews in de laatste jaren van zijn leven, met enige moeite toegegeven dat hij er te weinig grip op kon krijgen om ze te onderzoeken. (zie onderstaande citaten)
  • Affectieve relaties
    Het grootste gemis in zijn theorie is het belang van affectieve relaties voor alle aspecten van de ontwikkeling, ook voor alle leerprocessen. Dit is het grootste verschil met de moderne infant-research (zie Emde). Ook in het onderwijs werd deze notie gemist en later bijgesteld. 27

Een vooruitziende blik

In zijn theorievorming heeft hij zich bewust beperkt tot het domein van de cognitie. De wereld van gevoelens en emoties (‘affectivity’) vond hij (nog) te moeilijk voor empirisch onderzoek.

Opvallend genoeg verwijst hij naar de neurologie en endocrinologie (hormoonleer) als mogelijke toekomstige leveranciers van nieuwe inzichten die de wereld van het affectieve toegankelijk zouden kunnen maken voor empirisch onderzoek.
In deze verwijzing naar de neurobiologie komt Piagets biologische achtergrond weer eens naar voren.

Twee citaten:
“… all the theories produced about affectivity seem to me totally provisional, awaiting the time physiologists will give us accurate endocrinological explanations.” (p.49)

“I think it ( i.c. affectivity ) is a problem that’s beyond us today. In fifty years we’ll be able to talk about it intelligently, because it’s considerably more difficult and we don’t have the neurological data.” (p.52) 28

Dit statement doet me denken aan Freud bij wie hetzelfde speelde (zie Freud : De onbekende Freud).
Net als bij Freud, is het ook nu bij Piaget weer intrigerend je voor te stellen wat iemand met zijn capaciteiten met onze huidige kennis zou hebben kunnen doen om een antwoord te vinden op de vraag: “Wat gaat er om in onze binnenwereld?”

——————————————————————- ©2016 horsey — laatst bijgewerkt op 09-02-2020

Info over de website → klik op Zoektocht / Home , Wegwijs of Inhoud
Plaats een reactie → scroll naar beneden of klik op Discussie
Met de Terug-knop van je browser ‘spring’ je naar de vorige webpagina.

  1. Piaget, J. De psychologie van de intelligentie, Amsterdam, J.H. de Bussy 1970. Oorspr. titel: La Psychologie de l’intelligence, Paris, Colin 1947
  2. onderdeel van de filosofie dat het wezen, de methoden en de grenzen van de menselijke kennis als onderwerp heeft; zie Dikke van Dale, online 2019
  3. Piaget, J. (1932). Le jugement moral chez l’enfant. Paris : Librairie Félix Alcan.
  4. Piaget, J. and M. Gabian (1965/1932). The moral judgement of the child. New York, The Free Press.
  5. Immanuel Kant 1724 -1804
  6. Kohlberg, 1969
  7. Gilligan, 1982
  8. dit rode ♦-symbool duidt op een persoonlijke noot van de auteur
  9. zie bijv. Blasi, A. (1990). How should psychologists define morality? In T.E. Wren (Red.), The moral domain: Essays in the ongoing discussion between philosophy and the social sciences (pp. 38-70). Cambridge: MIT Press
  10. Lapsley, 2006
  11. Nucci, 2006
  12. Piaget, J. (1932). Le jugement moral chez l’enfant. Paris, Librairie Félix Alcan. Vertalung: Piaget, J. and M. Gabian (1965/1932). The moral judgement of the child. New York, The Free Press.
  13. Piaget, J. De psychologie van de intelligentie, Amsterdam, J.H. de Bussy 1970. Oorspr. titel: La Pstchologie de l’intelligence, Paris, Colin 1947
  14. Piaget, J. (1968). Le Structuralisme. Paris., Presses universitaires de France
  15. Met dank aan Marianne, ook voor de literatuursiggesties
  16. Inhelder, B., De Caprona, D., & Cornu-Wells, A. (2013). Piaget Today (Psychology Revivals). Psychology Press.
  17. Ook Piaget volgde deze strategie: om iets nieuws te verkennen of te bedenken is het raadzaam aangrenzende onderwerpen te bestuderen om daarmee ideeën op te doen. Zie ‘ Bringuier, J.-C. (1980). Conversations with Jean Piaget Chicago: University of Chicago Press. (Ooorspronkelijke title: Jean-Claude Bringuier, Conversations libres avec Jean Piaget, Robert Laffont, 1977. Nederlandse uitgave: Piaget, J., Bringuier, J. C., Blok, A., & Nooteboom, W. E. (1982). Gesprekken met Jean Piaget. Meulenhoff informatief.
  18. Voor het hiernevolgende heb ik veel ontleend aan: Miller, P. H. (2002). Theories of developmental psychology. 4th edition, New York, Worth Publishers.
  19. biografische informatie is ontleend aan: Piaget, J. (1952). Autobiography. In E. Boring (ed) History of psychology in autobiography. Vol. 4. Worcester, MA: Clark University Press.
  20. Dunn, W. L. and G. J. Craig (2013). Understanding human development. Boston, Pearson
  21. Bringuier, J.-C. (1980). Conversations with Jean Piaget Chicago: University of Chicago Press. (Ooorspronkelijke title: Jean-Claude Bringuier, Conversations libres avec Jean Piaget, Robert Laffont, 1977. Nederlandse vertaling: Piaget, J., Bringuier, J. C., Blok, A., & Nooteboom, W. E. (1982). Gesprekken met Jean Piaget. Meulenhoff informatief.
  22. Schepeler, E. M. (1993). Jean Piaget’s experiences on the couch: some clues to a mystery. International Journal of Psycho-Analysis, 74, 255-273.
  23. Emde, R. N. (1992). “Individual meaning and increasing complexity: Contributions of Sigmund Freud and Rene Spitz to developmental psychology.” Developmental Psychology 28(3): 347-359.
  24. genesis = wording, ontstaan; epistemologie = kennisleer, een tak van de filosofie
  25. Voor wie zich erin wil verdiepen kan een leerboek uitkomst bieden. De uitleg op Wikipedia schiet m.i. tekort. Zelf heb ik plezier gehad van de introductie, de voorbeelden en de citaten uit de prachtige observaties door Piaget zelf in het boek: Miller, P. H. (2002). Theories of developmental psychology. 4th edition, New York, Worth Publishers
  26. Zie Miller 2002
  27. Miller, P. H. (2002). Theories of developmental psychology. 4th edition, New York, Worth Publishers
  28. uit: Bringuier, J.-C. (1980). Conversations with Jean Piaget Chicago: University of Chicago Press. (Ooorspronkelijke title: Jean-Claude Bringuier, Conversations libres avec Jean Piaget, Robert Laffont, 1977. Nederlandse uitgave: Piaget, J., Bringuier, J. C., Blok, A., & Nooteboom, W. E. (1982). Gesprekken met Jean Piaget. Meulenhoff informatief.
guest
0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments