Kohlberg – gewetensontwikkeling

Kohlberg en Piaget

Kohlberg raakte tijdens zijn psychologie-opleiding geïnteresseerd in de morele ontwikkeling. Op dat moment waren Freuds theorie en die van de behavioristen op dat gebied dominant, maar ze spraken hem niet aan. Toen hij echter met een vroeg werk van Piaget kennismaakte inspireerde dat hem wel.

Piaget

jean-piaget
Jean Piaget (1896 – 1980)

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er in de psychologie een stroming op gang die wel de cognitieve revolutie wordt genoemd. Daarin speelde het werk van de Zwitserse ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget een belangrijke rol. Tijdens zijn universitaire studie raakte hij gefascineerd door de kennistheorie, een onderdeel van de filosofie. Hij besloot toen het verwerven van kennis door kinderen te gaan bestuderen: de cognitieve ontwikkeling. Hij onderscheidde daarin vier fasen, die elkaar in vaste volgorde opvolgen. Hij was een briljant onderzoeker en theoreticus die met zijn fasetheorie (psychologie) en structuralisme (kennistheorie) wereldberoemd is geworden.

Al vroeg in zijn loopbaan heeft Piaget Zijn ideeën over de morele ontwikkeling gepubliceerd 1 maar pas toen dit boek, uit het Frans vertaald, in het Engels in Amerika beschikbaar was 2 kregen zijn ideeën invloed op dit gebied van onderzoek.
Piaget had kinderen in hun spel geobserveerd en daarbij de manier waarop ze met elkaar over de regels van hun spel redeneerden geanalyseerd. Hij onderscheidde daarbij drie stadia, met een vaste volgorde, geheel volgens de structuralistische principes van zijn ontwikkelingstheorie.
Hij ontleende veel aan de filosofie van Kant 3, zoals het universele, generaliseerbare en verplichtende karakter van morele opvattingen, evenals het centraal stellen van rechtvaardigheid als ethisch principe.
Hij vond leeftijdsgenoten voor de morele ontwikkeling belangrijker dan de ouders.
Piaget heeft zich, na publicatie van zijn boek in 1932, zelf niet meer met de bestudering van de morele ontwikkeling beziggehouden.

Kohlberg

lawrence kohlberg
Lawrence Kohlberg (1927 -1987)

Kohlberg 4 zag in Piagets theorie over de morele ontwikkeling een model dat paste bij zijn eigen ideeën daarover en bij zijn belangstelling voor filosofie. Zo was de manier waarop Socrates over morele kwesties redeneerde een inspiratiebron voor hem. Hij heeft toen Piagets fasetheorie voor de morele ontwikkeling verder uitgewerkt en uitgebreid. In zijn model integreerde hij tevens een aantal moraalfilosofische denkbeelden die hij vond passen bij de verschillende stadia ervan. Hij meende zelfs dat zijn theorie antwoord kon geven op de grote vragen van de ethiek.

Kohlberg ging voor zijn theorie van de morele ontwikkeling uit van drie niveaus die Piaget daarvoor had bedacht, maar verdeelde deze ieder weer in twee fasen, waardoor zijn theorie zes fasen ging tellen, opklimmend in ontwikkelingsniveau. Hij kwam tot zijn fase-indeling door het bestuderen van de morele oordeelsvorming met behulp van morele dilemma’s die hij aan proefpersonen van verschillende leeftijden voorlegde. De antwoorden bracht hij in zes categorieën onder:
♦ Op het laagste niveau, het preconventionele, (overeenkomend met het niveau van kinderen jonger dan 7 jaar), werden de morele redeneringen bepaald door egocentrisme: in de eerste fase door angst voor straf; in de tweede door het streven naar eigen voordeel.
♦ Op het volgende niveau, het conventionele, (overeenkomend met 7 tot 12/14 jaar), werd, in fase drie, het oordeel van de sociale groep bepalend voor het onderscheid tussen goed en kwaad; in fase vier veranderde dat in een ‘law and order’-opvatting.
♦ Op het hoogste niveau, het postconventionele, (vanaf 14 jaar), wogen ethische principes het zwaarst: in de vijfde fase was persoonlijke overtuiging belangrijk, maar nog ondergeschikt aan de gemeenschapszin. Op dit niveau domineerden democratische principes en utilariteitsprincipes (‘goed is wat zoveel mogelijk mensen gelukkig maakt’). Kohlberg zag hierin de filosofie van Mill 5 terug. In de zesde fase waren persoonlijke opvattingen over universeel geldende ethische principes belangrijker dan op democratische wijze tot stand gekomen meningen. Voorts kregen ethische principes in deze fase een verplichtend karakter (‘wat goed is, moet ook worden gedaan’). Kohlberg verbond dit met de categorische imperatief van Kant 6 en met de filosofie van Rawls 7.

Het redeneren volgens abstracte principes kan pas vanaf  de leeftijd van 12 tot 14 jaar ontstaan, omdat kinderen pas vanaf die leeftijd in staat zijn tot abstract denken. De meeste volwassenen komen echter, volgens Kohlberg, niet verder dan fase vier.

Kohlbergs theorie heeft zeer veel onderzoek gegenereerd en domineerde jarenlang het debat over en het onderzoek naar de morele ontwikkeling. Er kwam echter steeds meer kritiek.
Deze gold zijn overtuiging dat er aan de vaste volgorde van de zes fasen niet getornd mocht worden, terwijl dit aspect van Piagets theorie ook op andere gebieden steeds minder steun kreeg.
Verder bleek Kohlberg voor het bestaan van zijn zesde fase onvoldoende empirisch bewijs te kunnen leveren.
Van feministische zijde kwam Gilligan 8  met het verwijt dat in Kohlbergs abstracte begrip van rechtvaardigheid geen plaats is voor gevoelens van zorg en verantwoordelijkheid voor anderen, terwijl zij dit minstens zo belangrijk vond. Dit bezwaar kreeg veel weerklank. Gilligans opvattingen werden ‘care-based morality’ genoemd.
Ook werd steeds meer betwijfeld of uitspraken over morele dilemma’s ook voldoende het gedrag van de onderzochte proefpersonen konden voorspellen.  Bijvoorbeeld zou de neiging om sociaal wenselijke antwoorden te geven de voorspellende waarde teniet doen.

Conclusie

Kohlbergs theorie leek twee decennia lang (zeventiger en tachtiger jaren) het definitieve antwoord te geven op vragen over de morele ontwikkeling. Veel onderzoekers hadden moeite met Freuds ideeën en met het determinisme van de behavioristen. Kohlbergs theorie stelde de ratio centraal en leverde schier eindeloze mogelijkheden voor het doen van onderzoek naar goed te operationaliseren variabelen op. Ingewikkelde concepten als internaliseren van normen en waarden, onbewuste motieven, of morele emoties ontbraken. Alles was helder en moraliteit was niets anders dan een aspect van de cognitieve ontwikkeling. Emoties waren daarbij irrelevant. Een geweten kwam daar niet aan te pas.

Inmiddels spreken zelfs fervente aanhangers van Kohlbergs theoirie van het post-Kohlberg-tijdperk 9 10 Zijn onderzoeksresultaten blijven interessant vanwege de enorme hoeveelheid informatie over de manier waarop mensen over morele dilemma’s kunnen redeneren. Kohlberg heeft echter te weinig oog gehad voor het belang van aangeboren en onbewuste factoren, voor emoties en voor relationele en interactionele aspecten van de morele ontwikkeling.

———————–————– 2.I.3 ——————————— ©2016 horsey

Informatie over de website →  Wegwijs  of  Inhoudsopgave

Plaats een reactie → klik op  Discussie

Gebruik de Terug-knop linksboven om terug te gaan naar de vorige webpagina.


  1. Piaget, 1932
  2. Piaget, 1965/1932
  3. 1724 -1804
  4. Kohlberg, 1969
  5. 1806 – 1873
  6. 1724 – 1804
  7. 1921 – 2002
  8. Gilligan, 1982
  9. Lapsley, 2006
  10. Nucci, 2006