Ons brein-beeld verandert – deel 3

Dit is het derde deel van Ons brein-beeld verandert.

Klik HIER voor het eerste deel.
Klik HIER voor het tweede deel


Inhoud van deel 3

7. Ons persoonlijke brein
7a. De rol van genen en omgeving
8. Genen leggen de basis
8a. Van kiemcel tot baby-brein
9. Omgeving bepaalt afwerking
9a. Het baby-brein
9b. Een hectisch eerste levensjaar
9c. Groeispurt van het brein
10. Kinder-, tiener- en volwassen brein
10a. Leren en geheugen
11. Een ander brein-beeld


Enkele stellingen

• Genen en omgeving zijn ‘partners’ in in het proces van de persoonlijke (hersen)ontwikkeling.
• De vorming van ons zenuwstelsel begint al heel vroeg, zowel in het evolutieproces, als in onze persoonlijke ontwikkeling.
• Het brein van de pasgeborene ‘staat op scherp’ om met de wereld kennis te maken.
• Door selectie worden de meest geschikte neurale netwerken uitgezocht en daarna verder verbeterd.
• Ineffectieve netwerken worden opgeruimd
• Genen leggen de basis, de omgeving bepaalt de afwerking van ons brein
• Al in het eerste levensjaar moet een lange takenlijst worden afgewerkt.
• Hoe jonger het kind, hoe intensiever de hersenontwikkeling verloopt
• Adequate hulp en zorg zijn, vanaf de geboorte, voor de (hersen)ontwikkeling cruciaal
• In de eerste drie tot vijf jaar verdient de ontwikkeling extra aandacht
• Sociaal-culturele leerprocessen hebben ons vermogen tot aanpassing enorm vergroot
• Ons brein-beeld is ingrijpend veranderd


Ons persoonlijke brein

Het is fascinerend te bedenken dat ons persoonlijke bestaan begint met een soort herhaling van het evolutieproces (zie paragraaf over Haeckel in Ons mensbeeld verandert).

In de 25 jaar die de ontwikkeling van bevruchte eicel (kiemcel) tot volwassene duurt, worden alle essentiële stappen die in de evolutie nodig waren om van dat eencellig levensbegin de homo sapiens te maken nog eens ( nu in warp-tempo 1) doorlopen.
Het script van die ‘tijdreis’ is in de loop van miljoenen jaren in ons genenpakket vastgelegd en stuurt, vanaf het begin, de ontwikkeling van de kiemcel aan.

Genetische factoren bepalen veel, maar lang niet alles.
Daarom is ieder brein uniek. Zelfs bij eeneiige tweelingen is dat het geval, ook al zijn zij met een identiek genenpakket aan hun bestaan begonnen.
Dat komt doordat er, al vanaf de eerste dag, kleine verschillen in de chemische samenstelling van hun omgeving zijn, die voor verschillen in gen-expressie kunnen zorgen (epigenetische factoren). 2
De omgeving is dus al vanaf het allereerste begin van invloed op de ontwikkeling.

De rol van genen en omgeving

Bij de hersenontwikkeling is de invloed van de omgeving extra groot. Deze neemt vanaf de geboorte zo sterk toe, dat zelfs de structuur en opbouw van ons brein daardoor mede worden bepaald. 3

Dat komt door de manier waarop de evolutie ons heeft voorbereid om een antwoord te kunnen hebben op de onvoorspelbaarheid van de wereld waarin we, na de geboorte, terechtkomen.


Vroeger en nu: grote en kleine verschillen

15.000 jaar geleden leefden er mensen in de grotten van Lascaux.
Wandschildering van een stier in de grotten van Lascaux, waar zo’n 15.000 jaar geleden al mensen woonden. Hun en onze werelden verschillen enorm, onze genenpakketten nauwelijks.

Een homo-sapiens-baby die zo’n 15.000 jaar geleden in de grotten van Lascaux geboren werd, begon met ongeveer hetzelfde genenpakket aan de verkenning van zijn prehistorische wereld als een hedendaagse baby die hier is begonnen met uit te zoeken hoe je je in ons informatietijdperk kunt staande houden.

Voor beide baby’s waren hun genen niet in staat hen voldoende voor te bereiden op de leefomgeving of de sociale wereld waarin zij terecht zouden komen. Daarvoor zijn de mogelijke verschillen in die omgeving eenvoudigweg te groot.
Zelfs in hetzelfde tijdperk is dat het geval. In onze tijd zorgen  klimaatverschillen (poolgebied vs. evenaar, woestijn vs rivierdelta, et.); cultuurverschillen (bijv. religies) en sociale omstandigheden (armoede vs. welvaart) al voor enorme verschillen.


Veel te ingewikkeld

Onze frontale cortex is, in vergelijking met de aan ons meest verwante soorten, sterk ontwikkeld vanwege de steeds toenemende complexiteit van de leefgemeenschappen en vormen van samenwerking die we hebben ontwikkeld (zie … ). En het ziet ernaar uit dat dit proces nog steeds voortduurtt

Die toegenomen complexiteit maakt dat ons genenpakket ons slechts een blauwdruk kan leveren voor de capaciteiten en vaardigheden die we nodig hebben om ons in onze wereld te kunnen handhaven.
Voor meer details is dat pakket te beperkt en dus moeten deze op een andere manier worden uitgewerkt.

De wirwar van neuronen in een stukje cortex is te ingwikkeld voor genetische sturing.
Geavanceerde technieken geven een zo realistisch mogelijk beeld van een paar neuronen in een flinterdun stukje cortex. Die wirwar valt niet  te plannen.

Bovendien is het brein, dat we voor die complexe taken nodig hebben, zelf zó ingewikkeld geworden dat een gedetailleerde planning van alle benodigde verbindingen onmogelijk is.

Dat blijkt al uit een getalsmatige benadering. Ons genenpakket bevat, naar schatting, zo’n 100.000 genen. Dat lijkt al weinig voor de vele regeltaken in ons lijf die ervan afhankelijk zijn. Het is zeker te weinig om ons brein, dat bij de geboorte zo’n 125 miljard neuronen bevat, -die ieder nog eens duizenden verbindingen kunnen aangaan-, tot in detail aan te sturen.

Een beproefde oplossing

Wanneer het niet lukt om de mens langs genetische weg voldoende op die complexe omgeving voor te bereiden, dan moeten we de rollen misschien omdraaien en de omgeving de details van onze hersenontwikkeling (mee) laten bepalen. En dat is precies wat er is gebeurd.

Die oplossing lijkt op  de ‘strategie‘ van het algemene evolutieproces dat zich ook laat ‘leiden’ door de eisen die de omgeving aan alle organismen stelt. Dat gebeurt door een ‘automatische’ selectie van die individuen in een populatie die het beste in de steeds veranderende omgeving passen (‘best fit’). 4
We zullen op het neurale selectieproces nog terugkomen.

De invloed van de omgeving op de hersenontwikkeling begint vroeg, is groot en dus belangrijk voor onze persoonlijke ontwikkeling, inclusief de gewetensontwikkeling.
We zullen daarom de ontwikkeling van ons zenuwstelsel vanaf het begin nader bekijken.

Daarbij zal blijken dat de hersenen pas door het opdoen van ervaringen met de nieuwe omgeving hun definitieve structuur en functionaliteit zullen krijgen.
Ook zullen we zien dat dit een intensief en veelomvattend proces is, waarbij de omgeving nog op een speciale manier een rol speelt. Ieder kind heeft namelijk voor een goed verloop van van dit nature/nurture-proces zijn sociale omgeving, en vooral zijn ouders, heel hard nodig.


Nurture the nature!

Lange tijd was het gebruikelijk om bij de ontwikkeling van kinderen de vraag te stellen: is dit nu aanleg of is het de omgeving die voor een gunstig of ongunstig verloop verantwoordelijk is?
Dit blijkt een te simplistische manier van redeneren te zijn. Aanleg (nature) en omgeving (nurture) werken niet los van elkaar en zijn zeker geen tegengestelde krachten in onze ontwikkeling. 5

Je kunt ze nog het beste zien als een soort ‘danspartners‘, waarbij ze elkaars kwaliteiten kunnen versterken en zwakheden (enigszins) compenseren.
Maar ongunstige invloeden kunnen zwakheden/kwetsbaarheden in de aanleg ook juist weer verergeren. Het is een samenspel waarbij ze elkaar nodig hebben om tot goede resultaten te komen.

Het genenpakket van een baby kunnen we niet veranderen, maar diens omgeving (meestal) wel. Daarmee hebben we zelf invloed op het eindresultaat. Vandaar het motto: nurture the nature, oftewel: zorg voor zo goed mogelijke omstandigheden, dat geeft de meeste kans dat een opgroeiend kind zijn in zijn genen meegegeven aanleg optimaal kan benutten.


Genen leggen de basis

We zullen bekijken hoe onze genen de evolutionaire ontwikkeling van de mensensoort in onze persoonlijke ontwikkeling tot uitdrukking brengen.

Van kiemcel tot baby-brein

Een bevruchte eicel (kiemcel of zygote) vormt de start van ons persoonlijk bestaan. Het genenpakket, dat door de fusie van eicel en zaadcel is ontstaan, bevat het bouwplan voor ons volwassen lijf, evenals het ‘recept’ voor de ‘bouwstenen’ ervan en de instructies voor het stapsgewijs uitvoeren van het bouwproject.
En ons brein is een belangrijk onderdeel van dat project.

Delen, differentiëren en migreren

Na herhaalde delingen ontstaan celgroepen.
Door versmelting van eicel en zaadcel ontstaat de kiemcel (zygote) die snel meercellig wordt en daarna verschillende celgroepen vormt (differentiatie).

De kiemcel deelt zich in twee cellen, die op hun beurt ook weer delen, waarna dit proces zich vele malen herhaalt.

Geleidelijk ontstaan er verschillen tussen de cellen onderling (differentiatie).
Dat leidt tot de vorming van drie celgroepen, de kiembladen, waaruit de verschillende orgaansystemen zullen ontstaan. 6

• uit het buitenste, het ectoderm, ontstaan huid en zenuwstelsel.
• uit het middelste, het mesoderm, ontstaan o.a. het skelet, de spieren, het urogenitaal stelsel en het bloed.
• uit het binnenste, het endoderm. worden de inwendige organen gevormd.

Embryo ( 1 wk)

Als dit gebeurt, is de kiemcel ongeveer een week oud en is al een embryo geworden, dat in de baarmoederwand ingenesteld raakt. 7

De ontwikkeling van het zenuwstelsel begint dus al in een heel vroeg stadium.
Dat komt omdat het een voortzetting is van de allervroegste structuren die al op ééncellig niveau voor de survival aan het werk zijn 8

Neurale buis ( 4 wk)

Het ontstaan van de neurale buis.
Het embryo, op dwarsdoorsnede, toont het sluiten van een instulping van het ectoderm, die dan de neurale buis vormt.

Na zo’n vier weken heeft zich, uit een instulping van het ectoderm, de neurale buis gevormd. Hieruit zal zich het hele zenuwstelsel ontwikkelen.

Dat gebeurt door verdere differentiatie van de neurale stamcellen waaruit de verschillende soorten hersenweefsel zullen ontstaan. Vervolgens gaan alle cellen door migratie naar hun plaats van bestemming, in het ruggenmerg of het brein. 10

Kwetsbaar

Het embryo is nog niet beschermd door de placenta. De hierboven beschreven processen (delen, differentiëren en migreren) zijn daardoor extra kwetsbaar en kunnen verstoord worden door, bijvoorbeeld, roken, medicijngebruik, drugs, ziekte en stress bij de moeder.

In de hierna volgende foetale fase zijn er minder kritische veranderingsprocessen die verstoord kunnen worden en is het kind beter beschermd, al blijven omgevingsinvloeden belangrijk.

Foetus ( 8 wk)

Na 12 weken is de foetus al als mensje in wording herkenbaar.
Het evolutionair oudste deel (o.a. hersenstam) ontstaat het eerst. Rond 9 weken is de foetus al als mensje in wording herkenbaar.

Na zo’n acht weken hebben de cellen van alle orgaansystemen, dus ook van het brein, door migratie hun bestemming bereikt. Het embryo is dan een foetus geworden.

Hierna vermeerderen de neuronen zich razendsnel. Dat is ook nodig om bij de geboorte ongeveer 125 miljard hersencellen klaar te hebben staan voor de kennismaking met een onbekende omgeving.

Pre-nataal

De ontwikkeling van de frotale schors , in de laatste drie maanden.
De ontwikkeling van de frontale cortex (jongste deel) komt het laatst. Deze gaat als een kap over de andere (oudere) delen liggen en raakt steeds meer geplooid.

De rest van de zwangerschap is bestemd voor groei en doorontwikkeling van de nieuw gevormde hersenstructuren.

Door genetische sturing heeft het brein nu zijn basisstructuur gekregen, zodat de hersenstam de vitale functies (hartslag, ademhaling, etc.) kan laten werken; schorsgebieden voor motoriek, waarneming, geheugen, etc. zijn aangelegd en met elkaar verbonden, zodat deze zich verder, onder invloed van ervaringen met de ‘nieuwe wereld’ kunnen ontwikkelen. Dit proces begint dus al pre-nataal.

Vanaf de zevende maand worden er steeds grotere aantallen neurale verbindingen gevormd, waardoor de foetus al in de baarmoeder indrukken vanuit de buitenwereld kan verwerken en een geheugen voor geluid, trillingen, smaak en geur ontwikkelt . 11

Omgeving bepaalt afwerking

Vóór de geboorte leeft de foetus in de veilige beslotenheid van de baarmoeder. In een wereld van (schemer)donker, gedempte geluiden, zachte aanrakingen, vertrouwde geuren en smaken en trage bewegingen.

De boreling verruilt deze voor een overweldigende nieuwe wereld van intense indrukken en gewaarwordingen die, -na een inspannende, heftige tocht door het geboortekanaal-, wordt bereikt.

De nieuwe wereldburger is, meestal, fysiek goed toegerust om dit avontuur te doorstaan en goed voorbereid om met die nieuwe wereld kennis te maken.
Maar hoe ziet die voorbereiding er uit?

Het baby-brein

Om de nieuwe wereld tegemoet te treden hebben onze genen tegenover een stortvloed aan indrukken een horde neuronale netwerken in stelling gebracht.

Dat gaat om een groot arsenaal aan gespecialiseerde neurale netwerken die, per soort, op de daarvoor bestemde gebieden in de cortex (zoals voor de zintuiglijke functies) klaarliggen om informatie op te nemen, te verwerken en op e slaan.

Neurale selectie

Vereenvoudigde voorstelling van neurale verbindingen
Sterk vereenvoudigde voorstelling van manieren waarop neuronen in netwerken verbonden kunnen zijn. In realiteit heeft ieder neuron enkele duizenden uitlopers

Die horde vertoont, per soort, kleine en grote onderlinge verschillen. Door die variatie in opbouw en eigenschappen reageren ze verschillend op de binnenkomende informatie. En daarbij blijkt dat sommige het beter doen dan andere.

Wanneer bij herhaling eenzelfde soort informatie wordt aangeboden (bijv. eenzelfde stemgeluid) zullen de ‘uitblinkers’ in de neurale horde steeds opnieuw worden gebruikt, wat hun effectiviteit ten goede komt.
Het verbeteren van eigenschappen gaat daarna nog door, want er worden, steeds opnieuw, grote aantallen varianten gevormd en ook weer uitgeprobeerd, wat de aanpassing aan de omgeving steeds verder verbetert.

De variatie in de eigenschappen van de netwerken ontstaat door allerlei combinaties met andere neuronen te maken en door veranderingen in de eigenschappen van de synapsen, de verbindingsplaatsen tussen de neuronen.
Daardoor ontstaan nieuwe mogelijkheden en worden bestaande mogelijkheden verfijnd en beter afgestemd (‘tuning‘).

Net als bij het evolutieproces, overheerst in deze concurrentiestrijd het ‘trial and error‘, wat tot selectie van de meest geschikte neuronen/netwerken leidt. Daarom spreekt men wel van Neuraal Darwinisme. ((zie de paragraaf over Darwin in Wetenschap – hemels en aards).) 12


Een ongerept bos

Wat wordt de beste route door het bos?
Wat wordt de beste route door het bos?

Het proces van zoeken naar en selecteren van geschikte netwerken kun je enigszins vergelijken met de manier waarop er in een ongerept bos paden ontstaan zodra er mensen zich een weg erdoorheen banen. 13
Na wat uitproberen, tekenen zich dan paadjes af die vervolgens breder en beter begaanbaar worden naarmate er meer gebruik van wordt gemaakt. Ook mogelijke alternatieve routes worden uitgeprobeerd en kunnen zo nog de voorkeur krijgen.
Tenslotte kan een gebaand pad in een weg, of zelfs een snelweg veranderen.
In de hersenen vormen ze dan brede bundels van axonen die intensief worden gebruikt.


Een hectisch eerste levensjaar

Waartoe dient deze driftige vorming en verbetering van neuronale netwerken? Die heeft te maken met de ontwikkeling van functies in hersengebieden die tijdens de zwangerschap slechts zijn voorbereid en pas in contact met de nieuwe omgeving hun definitieve structuur en functionaliteit krijgen.

Daartoe moet in het eerste levensjaar een indrukwekkende takenlijst worden afgewerkt.
Sinds enkele decennia weten we dat een pasgeborene veel meer kan dan lange tijd werd aangenomen (zie Emde). Alles is erop gericht de nieuwe wereld zo snel mogelijk te leren kennen (“Hoe doen jullie het hier?) en veel daarvan staat in dienst van de sociale ontwikkeling. 14

Er moet echter nog veel gebeuren voordat alles optimaal functioneert. We zullen de eerste ontwikkeling van een aantal functies beknopt bespreken om hiervan een indruk te geven.

Takenlijst

Zien (visus)

Na de geboorte is de baby bijziend, kan nog geen diepte zien en nog maar weinig kleuren. Wel vertoont het kind meteen al een voorkeur voor gezichten en kan het zelfs al gezichtsuitdrukkingen imiteren. Daarna komt het herkennen van gezichten snel op gang.
Deze opmerkelijke vermogens geven aan hoe belangrijk, vanaf het begin, het aangaan van sociaal contact en het vinden van vaste primaire verzorgers zijn voor de baby.

Het gezichtsvermogen verbetert snel en rond de eerste verjaardag is het al bijna op volwassen niveau. Dit is het resultaat van een continu proces van verbetering van de werking van de betreffende neuronen/netwerken. Deze zijn al op de juiste plaats in het brein aanwezig, maar hebben ‘beeldmateriaal’ nodig om goed te gaan functioneren.

Is er echter een probleem, -bijvoorbeeld een ‘lui’ oog-, dan moet dat op jonge leeftijd worden gecorrigeerd, anders dreigt dat oog blind te worden. De betrokken visuele netwerken zullen namelijk, bij blijvende inactiviteit, na verloop van tijd worden opgeruimd, of voor andere functies worden gebruikt. 15
Dit is een voorbeeld van het belang van ervaringen met de omgeving voor de ontwikkeling van hersenfuncties.

Horen (gehoor) / taal

Hiermee heeft de foetus al ervaring opgedaan in de laatste twee maanden van de zwangerschap. Voor de pasgeborene heeft de stem van de moeder al een vertrouwde klank en de baby heeft daar ook al een voorkeur voor ontwikkeld. Dat geldt ook voor geluiden, zoals muziek, waar de moeder vaak naar luisterde. 16

De baby heeft meteen al het vermogen om onderscheid te maken tussen vertrouwd (= meestal ook: voorkeur/prettig) en onbekend. Dit vermogen wordt al snel ingezet om belangrijke klankgroepen van de moedertaal als bekend/vertrouwd/prettig aan te merken.
Dit categoriseren duurt tot ongeveer de leeftijd van 12 maanden, waarna dit proces als voltooid (!) wordt afgesloten. Daarna wordt het, bij het ouder worden, steeds moeilijker om vreemde talen te leren. Tot ongeveer het vijfde jaar gaat dat nog redelijk vlot, daarna lukt het niet meer zo volledig als op jongere leeftijd.

Dat verklaart, bijvoorbeeld, het onvermogen van oorspronkelijk Chinees sprekende mensen om het onderscheid te horen (en te maken) tussen de r– en l-klank, omdat ze dat in die vroege fase niet hebben geleerd.. R-ijst en l-ijst klinken voor hen hetzelfde.

Baby’s zijn gebaat bij interacties waarbij, door volwassenen, veel wordt gepraat en gezongen tijdens spel en dagelijkse routines.. Op die manier raken taalklanken verbonden (‘geassocieerd‘) met andere ervaringen, zoals bewegingen, ritme, klankkleur, vormen e.d., waardoor het leren en onthouden van de basisklanken beter verloopt.
In het tweede en derde levensjaar maken taalbegrip en taalproductie grote sprongen, op basis van het voorwerk dat in het eerste jaar is gedaan.

Wanneer kinderen geen taal horen, bijvoorbeeld door doofheid, of extreem isolement 17 leren ze. zonder tijdige behandeling, geen taal begrijpen of spreken. Ook dan gaat een vaardigheid verloren.

Ruiken (reuk)/ proeven

Ook hiermee heeft de foetus in de baarmoeder al ervaring opgedaan en al wat voorkeuren ontwikkeld. Daardoor kan hij, al enkele dagen oud, onderscheid maken tussen de melk van de eigen moeder (voorkeur) en die van een andere vrouw.
De voorkeur voor zoete geur/smaak is aangeboren. Knoflook wordt niet gewaardeerd, tenzij de moeder dat tijdens de zwangerschap geregeld heeft gegeten. Culinaire/culturele verschillen ontstaan al vroeg. [Swaab, D. F. (2011). Wij zijn ons brein : van baarmoeder tot Alzheimer. Amsterdam :: Contact.]

Voelen (tast)

De tastzin van de handen is in het begin nog heel beperkt, maar de mond doet het meteen al veel beter en wordt voor het verkennen van voorwerpen veel gebruikt. Pas door het ervaren van glad, zacht, ruw, groot en klein verwerft de baby geleidelijk het vermogen dit soort eigenschappen te onderscheiden. Door een gevarieerd aanbod van allerlei materialen, maat ook bij geregeld  lichamelijk contact, gaat dit beter en sneller.
Bij 18 maanden is de tastzin dan ongeveer op volwassen niveau.

Bewegen ( grove en fijne motoriek)

In enkele maanden leert een kind de stand van het hoofd te controleren, om te rollen van buik naar rug en daarna andersom; na 6 maanden te gaan zitten, daarna zich op te trekken tot staan, dan te kruipen, en rond de eerste verjaardag te gaan lopen.
Vanaf die mijlpaal is het oefenen in het vinden en handhaven van balans (via het diepe gevoel, positie-zin, of proprioceptie) een belangrijke taak.

De beheersing van armen en handen neemt, vanaf het begin, snel toe. Van onhandige, ongerichte pogingen naar gericht grijpen, totdat, na 6 maanden, met doelgerichte bewegingen een voorwerp kan worden vastgepakt en, nog wat later, tussen duim en wijsvinger kan worden vastgehouden. Gecontroleerd vastpakken en voorzichtig loslaten duurt tot in het tweede jaar.

Daarna is het nog een lange weg, van steeds meer verfijning van bewegingen, totdat het volwassen niveau wordt bereikt. Ook dan blijft veelvuldig oefenen nodig om en hoog niveau (bijv. voor het bespelen van een instrument) op peil te houden.

Deze motorische beheersing is het resultaat van een eindeloze reeks oefeningen waarbij neurale aanpassingen worden gemaakt, verbeterd en vastgelegd.

Relaties ( sociaal-emotioneel contact )

Voor een sociale diersoort, zoals de mens, is de sociale ontwikkeling van levensbelang en dus begint die al vanaf de geboorte. We zullen enkele aspecten daarvan beknopt bespreken.
De opbouw van relaties met vaste, sensitieve volwassenen is hiervoor noodzakelijk (zie Emde en Kochanska).

  • voorkeur voor gezichten en herkenning ervan staan in dienst van het vinden van vaste verzorgers
  • imitatie van gezichtsuitdrukkingen heeft te maken met een zich ontwikkelend vermogen om zich in anderen te verplaatsen ( mirror neuronen; zie de Waal )
  • emotioneel ‘mee-resoneren’ met het huilen van andere baby’s is de eerste uiting van de ontwikkeling van empathie (zie Hoffman )
  • hechtingsgedrag (huilen, lachen. reiken, met de ogen volgen) hoort tot het arsenaal van appellerend gedrag ten opzichte van primaire verzorgers dat moet leiden tot veilige hechting aan vaste personen.
  • beurtspel in acties legt de basis voor wederkerigheid ( Emde )
  • beurtspel met geluiden: basis voor communicatie, praten
  • kiekeboe-spel: oefenen met alleen– / afwezig zijn
  • oogcontact zoeken bij onzekerheid (social referencing ; Emde ).
  • wijzen, blik volgen: aandacht delen
  • veilige hechting geeft gevoel van veiligheid en vertrouwen; ook zelfvertrouwen; positieve zelfwaardering. Het eerste jaar is hiervoor cruciaal.
  • moraal in de genen: voorkeur voor coöperatief gedrag 18 19

Groeispurt van het brein

Al die activiteit leidt tot een snelle groei van de hersenen. In het eerste jaar is het brein dan ook het snelst groeiende orgaan. Bij de geboorte weegt het zo’n 350 gram. Een half jaar later is dat het dubbele geworden. Rond de eerste verjaardag weegt het zo’n 900 gram.

Tekening van een neuron. Detail van een synaps.
Neuron met cellichaam, korte dendrieten en lang axon dat door myeline (gliacellen) wordt omgeven. Met detail van een synaps.

Die toename komt geheel voor rekening van een soort wildgroei aan uitlopers en synapsen, dus van de onderdelen die verbindingen met andere neuronen tot stand brengen. Want het vermeerderen van de neuronen zelf stopt kort na de geboorte.
Tevens gaan gliacellen de axonen van een isolatielaag (myeline) voorzien waardoor deze worden beschermd en  signalen sneller worden doorgegeven.

Het resultaat van deze activiteit is de ontwikkeling van cerebrale functies. Aangezien het maken van nieuwe verbindingen tussen neuronen centraal staat, kan de toename van het aantal synapsen een graadmeter voor die ontwikkeling zijn.

Kritische perioden

De groei gaat niet in alle hersendelen even snel. De evolutionair oudere delen (zoals de hersenstam) zijn al grotendeels uitontwikkeld, terwijl voor de rest geldt: hoe jonger hoe meer er na de geboorte nog moet gebeuren.
Dat betreft dus in ieder geval de pre-frontale schors die van belang isvoor de hogere psychische functies , waar ook (een deel van) de gewetensfunctie bij hoort.

Sterke ontwikkeling van zien, horen, taal, e.d. in het eerste jaar.
Een schets van de snelle toename en daarna afname van synapsen in een aantal gebieden (van pre-nataal tot 15 jaar; rose= 1e jaar). Geel= zien en horen. Blauw= taal. Rood= hogere psychische functies.

In bepaalde schorsgebieden zien we al in de eerste maanden een extra grote toename van het aantal synapsen (op de afbeelding is dit voor zien en horen, taal en enkele hogere psychische functies afgebeeld).

Allerlei mogelijke combinaties van neuronen worden dan uitgeprobeerd. Deze ‘wildgroei’ van uitlopers en synapsen is tussen zes en twaalf maanden op zijn hevigst.

Niet alleen de massale groei en toename van het aantal synapsen is belangrijk. Want in diezelfde periode is het vermogen van de synapsen om hun eigenschappen snel bij te stellen het grootst.
Dit wordt plasticiteit genoemd. Dit vermogen is cruciaal voor allerlei leerprocessen (zie verderop).

Men noemt deze episoden van snelle ontwikkeling wel: kritische of gevoelige perioden, of ‘windows of opportunity‘, omdat de ontwikkeling dan het meest voorspoedig kan verlopen, maar ook het meest gevoelig is voor ongunstige invloeden.

Worden de geboden kansen benut, dan leidt dat tot optimale aanpassingen van de hersenen die levenslang kunnen blijven bestaan.
Helaas geldt hetzelfde voor negatieve ervaringen of tekorten aan zorg en gerichte aandacht die eveneens levenslang merkbare (diepe) sporen kunnen achterlaten.

Waarschijnlijk kunnen, op termijn, ook voor andere dan de hier genoemde functies dergelijke curves worden gevonden. Bijvoorbeeld voor de sociaal-emotinele ontwikkeling, die, zoals we zagen, in het eerste jaar ook in volle gang is.
20
Net zoals voor de ontwikkeling van spraak en taal ‘voorwerk’ moet worden gedaan (herkennen van klankgroepen) moet voor het succesvol aangaan van relaties binnen de eigen groep basiscodes van een ‘omgangstaal‘ worden aangeleerd. Bijvoorbeeld de codes voor de manier waarop je contact maakt, onderhoudt en afsluit (zie Emde ). Mijns inziens, gaat het hierbij om basale sociale vaardigheden waar kinderen met autistiforme contactstoornissen problemen mee hebben.

Bloeien en snoeien

Op de ‘bloei‘ tijdens de kritische perioden volgt er een tegengesteld proces van ‘snoeien‘. Dan worden verbindingen die onvoldoende effectief zijn gebleken opgeruimd. Een soort bij-snoeien van ongewenste loten (‘pruning‘).
Vanaf zo’n 12 maanden is dit proces in meerdere hersengebieden al in gang gezet. 21

Dit selectief verwijderen van synapsen is een ingrijpend proces. Tegen de tijd dat ons brein volwassen is geworden resteert nog 60% van het aantal synapsen dat het ooit heeft gehad.
Ook hele neuronen worden hierbij selectief opgeruimd. Van de ongeveer 125 miljard die er rond de geboorte zijn aangemaakt blijven er zo’n 85 miljard cellen over op volwassen leeftijd.

Speciale rol voor de omgeving

Voor het afwerken van bovenstaande takenlijst steekt de baby figuurlijk, -en vaak ook letterlijk,- zijn handjes uit naar de volwassenen die voor hem zorgen, want zonder hun hulp lukt het niet.

In grootschalige onderzoeken is steeds weer gevonden dat een sensitieve en emotioneel beschikbare instelling van de primaire verzorgers, en de veilige hechting waartoe die leidt, de belangrijkste voorspellende factoren zijn voor een gunstige ontwikkeling op lichamelijk, cognitief, emotioneel en sociaal gebied (zie Kochanska ). 22 23

Er is een tijd geweest dat sommigen dachten dat ouderlijke bemoeienis met een kind ongunstig zou zijn, bijvoorbeeld voor de ontplooiing van hun creatieve vermogens (vrije, anti-autoritaire opvoeding). Anderen dachten dat een emotionele band tussen hen ongewenst gedrag in de hand zou werken (sommige behavioristen) . Die pedagogische opvattingen leidden echter eerder tot emotionele en pedagogische tekorten en problemen in hun relaties, dan tot een spontaan opbloeien van creativiteit, of gewenst gedrag bij het kind.

Inmiddels weten we dat een pasgeborene over mogelijkheden beschikt om te leren en vaardigheden te ontwikkelen, maar dat voor die ontwikkeling de hulp en emotionele betrokkenheid van vaste personen in de directe omgeving noodzakelijk is.
Er zijn wel verschillen tussen de onderdelen van de takenlijst. Zo heeft een kind om te leren lopen relatief weinig hulp nodig. Andere vaardigheden kunnen zich echter alleen maar dankzij adequate hulp ontwikkelen.
Het leren spreken van de moedertaal is daarvan een voorbeeld. Die leer je niet van andere kinderen en zeker niet vanzelf.
Hetzelfde geldt voor pro-sociaal gedrag. Voor beide liggen in het brein mogelijkheden klaar die alleen met hulp tot ontplooiing kunnen komen. Zonder hulp geen taal en geen sociale vaardigheden 24

Een andere misvatting is dat baby’s nog te jong zijn om zich narigheden te kunnen herinneren, zodat die niet veel invloed kunnen hebben op hun verdere ontwikkeling.
Ze hebben er inderdaad geen bewuste herinnering aan, maar hun hersenen hebben, zowel prettige als nare ervaringen, wel opgenomen en opgeslagen, zodat ze gaan werken als referentiekader voor verdere ervaringen, zoals:
“de wereld is wel/niet veilig; mensen zijn wel/niet te vertrouwen; (ouder)liefde/vijandigheid en enthousiasme/afwijzing zijn ‘normaal’; je bent wel/niet welkom”, etc.

Van een negatieve en verwaarlozende houding van de omgeving leert een kind: “je bent op jezelf aangewezen; agressie kan ieder moment gebeuren; je telt niet mee en je bent niets waard”; etc.
Baby’s die in zo’n omgeving zijn opgegroeid zijn vaak voor het leven getekend en zijn later buitengewoon moeilijk met hun eigen problemen en met de problemen die ze, inmiddels, zelf, in relaties met anderen, veroorzaken te helpen (zie bijv. reactieve hechtingsstoornis).

Kinderen die positieve ervaringen hebben opgedaan toen ze door sensitieve en betrokken ouders en verzorgers zijn grootgebracht, zijn gezonder, doen het beter op school, zijn opgewekter, krijgen gemakkelijker vriend(inn)en en zijn weerbaarder.
Om dit te bereiken zijn ze echter afhankelijk van volwassenen in hun directe omgeving.

Voor ontwikkelingspsychologen, pedagogen en kinderpsychiaters is het belang van de directe omgeving niets nieuws. Zij zien een bevestiging daarvan in de recent verworven kennis over de manier waarop een baby-brein bij de geboorte is voorbereid om de fysieke en sociale wereld te verkennen en zich daarna verder ontwikkelt. De nieuwkomer is echter volledig afhankelijk van de zorg en aandacht van hun omgeving en beschikt daarom over een arsenaal aan mogelijkheden om een dringend appel op die omgeving te doen (hechtingsgedrag genoemd).

Deze inzichten worden in onze samenleving echter niet door iedereen gedeeld. Vrijwel alle ouders weten dat het vinden van een goede school voor hun kind belangrijk is, maar weten vaak niet war hun kind in de jaren daarvóór nodig heeft en al helemaal niet hoe belangrijk daarbij het eerste levensjaar is.

Misschien kan kennis van de hersenontwikkeling ertoe bijdragen dat die opvatting meer algemeen wordt gedeeld. In de VS heeft dat zo gewerkt en zijn grote stimuleringsprogramma’s opgezet om het belang van zorg en stimulans in de vroegste ontwikkeling onder de aandacht te brengen door de invloed op de hersenontwikkeling te benadrukken. 25

20
Wat mij opvalt is, dat ons land in vergelijking met de ons omringende landen het in dit opzicht minder goed doet.
In de Scandinavische landen zijn, bijvoorbeeld, de faciliteiten voor ouderschapszorg veel beter geregeld.
Recent zijn er voor de EU-landen afspraken gemaakt over ouderschapsverlof die veel gunstiger zijn dan hier is gerealiseerd.

Ik heb de indruk dat in de laatste twee decennia in ons land een verandering is opgetreden in de opvattingen over het belang van de zorg voor eigen kinderen. Onder invloed van ideeën over emancipatie lijkt het moederschap te zijn gedevalueerd ten gunste van carrièreperspectieven. Fulltime banen voor zowel mannen als vrouwen is de norm geworden. Ouders de meer ttijd voor het grootbrengen van hun kinderen willen worden als “niet van deze tijd” beschouwd. Vanuit het werk worden hoge eisen gesteld aan inzet en beschikbaarheid, waarbij de zorg voor eigen kinderen op de tweede plaats komt. Bovendien zijn er sterke economische motieven (hypotheek! en welvaartsniveau) die dezelfde kant uit werken.

Als gevolg hiervan moeten ouders (soms wanhopig) genoegen nemen met geïmproviseerde oplossingen voor hun kinderen. Ook is de tijd en energie die zij aan hun kinderen kunnen besteden steeds geringer geworden en de noodzaak om die zorg aan (vaak teveel) anderen over te laten steeds verder toegenomen. Zelfs voor baby’s is er al veel wisseling van gezichten en veel haast en onrust in het dagprogramma.
De ‘quality time’ met de ouders wordt vaak met opwindende activiteiten ingevuld, niet in de laatste plaats om de merkbare onvrede bij de kinderen (en mogelijk sluimerende schuldgevoelens bij de ouders) te verdringen.
Ik meen dat het recente toenemen van onzekerheid, onrust, ‘thrill-seeking'(drugs!) en gedragsproblemen bij kinderen, thuis en op schol, daarmee te maken kan hebben.

Kinder-, tiener- en volwassen brein

In de eerste vijf jaar groeit ons brein het hardst.
In de eerste vijf jaar groeit ons brein het hardst. Het verschil tussen man (blauw) en vrouw (rood) wordt verklaard door verschil in gemiddelde lichaamsomvang ( 0 tot 88 jr).

Na het eerste jaar zet de groei van de hersenen door totdat, rond de vijfde verjaardag, het gewicht 90% van het volwassen brein is geworden. Daarna vlakt de groeicurve af.

Dat is een indicatie voor het belang van die eerste vijf jaar voor de ontwikkeling van de hersenen. Daarom worden deze jaren steeds meer cruciaal geacht voor een voorspoedige ontwikkeling van het kind. 27

Takenlijst

Na het eerste levensjaar is bovenstaande takenlijst nog steeds relevant. Wat al begonnen is ontwikkelt zich verder:

• De eerste stapjes gaan over in vaardig lopen, daarna rennen en dan springen, totdat in de volwassenheid een grote lichaamsbeheersing en virtuoze vingerbewegingen mogelijk zijn.

•  Rond de 18 maanden toont het kind tekenen van ontwikkeld zelfbewustzijn.

• In het tweede jaar gaat het begrijpen van woorden vooraf aan het zelf gebruiken van taal. Een proces dat perioden van ‘stroomversnellingen‘ kent en samengaat met verhoogde activiteit in de taalgebieden van de hersenschors (van Broca en Wernicke) 28 Na het vijfde jaar gaat het aanleren van een nieuwe taal niet langer ‘spelenderwijs’.

• De cognitieve ontwikkeling volgt de fasen die Piaget heeft geformuleerd. 29 Voor ons onderwerp zijn daarbij de manieren waarop, op verschillende leeftijden, over morele kwesties kan worden geredeneerd van belang  (zie Kohlberg ).
Bij deze ontwikkeling vertonen gebieden in de pre-frontale cortex verhoogde activiteit.

• In de (pre-)puberteit begint er veel te veranderen, zowel op lichamelijk, cognitief, emotioneel, als relationeel gebied, wat tot psychische instabiliteit leidt.
Dat vraagt opnieuw om aanpassingen van het brein, wat weer een soort ‘kritische‘ of ‘gevoelige’ periode veroorzaakt. Er worden dan ook veel nieuwe verbindingen en synapsen aangemaakt, vooral in de pre-frontale schors.
Planning en zelfregulatie verbeteren bij het opdoen van ervaringen (zie Blair ) en door de myelinisatie van axonen.
Deze zijn nog niet overal door gliacellen (myeline) beschermd en geïsoleerd, waardoor de werking ervan nog niet optimaal is. Ook dit speelt zich met name af in het pre-frontale deel,
Deze ‘afwerking’ van de hersenen is pas tussen het 20ste en 25ste jaar voltooid

• Het volwassen brein heeft alle ‘probeersels’ van zich afgeschud en functioneert daardoor zo goed als dat, met de doorlopen hersenontwikkeling, mogelijk is.
Vanaf  diezelfde leeftijd gaan, heel geleidelijk aan, hersencellen verloren. Ze worden dan niet, zoals in andere organen, door nieuwe cellen vervangen.
Het gewicht van de hersenen neemt daarbij, in het verouderingsproces, zo’n 5 tot 10 % af. Dit gebeurt het eerst in de pre-frontale cortex (hogere psychische functies) en de hippocampus (geheugen en ruimtelijk inzicht).
Vaak vallen problemen met het korte-termijn-geheugen het eerst op.

Leren en geheugen

Het vermogen nieuwe informatie of ervaringen te onthouden is voorwaarde om te kunnen leren.
Hoe dat verwerken van informatie en de opslag ervan precies verlopen weten we (nog) niet, maar over een aantal kenmerken van dat proces bestaat wel overeenstemming.

De vorming en de eigenschappen van synapsen in de betrokken neurale netwerken staan daarbij centraal.
Synapsen hebben allerlei mogelijkheden om hun eigenschappen te veranderen. Zij beïnvloeden daarmee de efficiëntie van de prikkeloverdracht via de verbinding tussen de neuronen waar ze bij horen. Naarmate dat beter lukt, worden die verbindingen sneller en bestendiger. Uiteindelijk kunnen ze zelfs permanent worden en levenslang blijven bestaan.

Door het versterken van een verbinding tussen twee neuronen neemt de kans dat de door die neuronen ‘opgenomen’ informatie beschikbaar blijft toe. Die wordt dan een herinnering in ons geheugen.
Dat versterken wordt bevorderd door herhaling (bijv. van een nieuw woord) en door ‘verknoping‘ met reeds opgeslagen informatie. Houdt dat nieuwe woord verband met al bestaande kennis, dan gaat het bijleren gemakkelijker. Oftewel: je leert het snelst wanneer je over dat onderwerp al veel weet.


Een lekker wijntje

Wijnflessen die met elkaar zijn 'verknoopt'.
De naam van een wijn blijft beter ‘hangen’ wanneer die is ‘verknoopt’ met al eerder opgeslagen informatie 🙂

Wanneer je de naam van een lekkere wijn wilt onthouden, dan herhaal je die naam een aantal malen om hem ‘in te prenten’. Dat betekent dat je, op cellulair niveau, de verbindingen (synapsen) van het neurale netwerk dat het woord ‘opneemt’ versterkt en daarmee de levensduur van die imprint vergroot.
Je kunt die naam ook nog opschrijven, je de geur en smaak van de wijn weer te binnen brengen, je herinneringen aan de wijnstreek erbij betrekken, de gelegenheid en het gezelschap waarbij je de wijn hebt geproefd en herinneringen aan eerder geproefde wijnen weer oproepen. Op die manier raken netwerken uit meerdere hersengebieden ( motorisch, visueel, auditief, reuk, smaak, langetermijngeheugen) met de wijnnaam, en met elkaar, sterker verbonden waardoor het voortbestaan van de herinnering aan de naam nog meer wordt veiliggesteld.
Zo versterkt het ‘levend houden’ van herinneringen het voortbestaan ervan.


Plasticiteit

Leren gaat in het begin spelenderwijs. Later kost het meer moeite.
Van 0 tot 70 jaar neemt het vermogen om te leren (blauw) af en de moeite om nieuwe informatie op te nemen toe (rood).

Het vermogen van synapsen tot aanpassing van hun eigenschappen noemen we plasticiteit. Deze verandert met de leeftijd, is in het eerste levensjaar het grootst en neemt daarna steeds verder af.
Dat betekent dat het leren en opslaan van ervaringen (gebeurtenissen, acties, indrukken, gevoelens, etc.) in het begin snel, effectief en spelenderwijs gaat en gemakkelijker tot blijvende ‘inprints’ leidt. Later verloopt dit steeds moeizamer, al blijft het vermogen om te leren gedurende het hele leven bestaan.

Versterking van de synapsen door herhaling en het ‘vastknopen‘ aan andere netwerken (vorming van associaties) vormen de basis van alle leerprocessen.
De betrokken synapsen kunnen kortdurend tot levenslang blijven bestaan. Zeker wanneer er sterke emoties bij betrokken zijn, blijven ze lang ‘houdbaar’. In de kritische perioden lukt dit het best.

Herinneringen worden bewust doordat de betrokken netwerken weer worden geactiveerd. Het geheugen is geen archiefkast waar alles keurig geordend is opgeslagen. Het is een continu proces dat onderhoud behoeft. 30

Aanpassingsvermogen

Ons vermogen tot leren heeft ons een enorme ‘survival value’ opgeleverd. In combinatie met het vermogen om gesproken en geschreven taal te gebruiken, tegenwoordig aangevuld met beeldmateriaal, hebben we mogelijkheden tot aanpassing aan veranderende omstandigheden verworven die veel sneller kunnen verlopen en flexibeler zijn dan bij de ‘gewone’ evolutionaire natuurlijke selectie het geval is.



Zou de prehistorische baby, ui de grotten van Lascaux, vandaag door een miraculeuze tijdsprong naar onze wereld overstappen, dan zou hij waarschijnlijk (in een goed Nederlands pleeggezin) over een jaar of drie, samen met zijn leeftijdsgenootjes, gefascineerd met een tablet zitten spelen, want aan ons genenpakket is er sinds die tijd niet zoveel veranderd. Wel in de fysieke en sociale wereld waarin hij terechtkomt en dat is vrijwel uitsluitend het gevolg van sociaal-culturele leerprocessen.

We zijn daardoor de enige diersoort die zowel op de evenaar, als op de noordpool kan overleven en die vervolgens zijn omgeving verregaand aan de eigen behoeften kan aanpassen, zodat we zelfs bij een bezoek aan de maan in leven kunnen blijven.


Dat grote vermogen om te leren is echter zowel onze kracht als onze zwakte. We kunnen, maar moeten ook veel leren om deze evolutionaire strategie effect te laten hebben.
Die afhankelijkheid van leerprocessen maakt ons ook kwetsbaar. Het stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de ouderlijke zorg en opvoeding en aan scholing. Deze ‘leerplicht’ kan door allerlei oorzaken tekortschieten, of zelfs pathogeen werken. In het bovenstaande is al besproken hoe belangrijk, in dit verband, de invloed van de directe omgeving daarbij is.

Leren en geweten

Recente opvattingen over de gewetensontwikkeling (zie Inhoud) gaan ervan uit dat deze, in oorsprong, deel uitmaakt van de sociale ontwikkeling van een kind waarvoor het baby-brein, net als bij de taalontwikkeling, al in zekere mate is voorbereid.
Vanaf de geboorte gaan sociaal-culturele leerprocessen een hoofdrol spelen, bijvoorbeeld in het stimuleren van pro-sociale vaardigheden als wederkerigheid en empathie. En dat proces bepaalt in belangrijke mate de structuur en functionaliteit van de betrokken hersengebieden. 31
Waarschijnlijk is het mogelijk is om op latere leeftijd, door invloeden vanuit de omgeving of door reflectie op eigen opvattingen en handelen, in die functionaliteit nog wijzigingen aan te brengen.
In welke mate dat het geval is is nog een open vraag.

Een ander brein-beeld

In de afgelopen tien jaar is ‘ons brein’ veranderd van een ontoegankelijk, raadselachtig orgaan in een lichaamsdeel dat een zekere populariteit heeft verworven, ook bij een breder publiek. Vooral de kleurrijke beelden die van fMRI-onderzoek afkomstig zijn doen het goed.

Met neurowetenschappelijk onderzoek zijn ook fascinerende resultaten geboekt, maar de neiging ‘to jump to conclusions’ is ook merkbaar. Enige relativering is dan ook op zijn plaats.

Inzicht in de wijze waarop processen in ons brein op cellulair (neuronen) en biochemisch niveau (neurotransmitters, hormonen) verlopen is voor het allergrootste deel afkomstig van dieronderzoek.
Hoewel er goede redenen zijn om aan te nemen dat zich in ons brein overeenkomstige processen afspelen, blijft het extrapoleren vaan kennis over de ene diersoort naar de andere. En dat zal niet snel veranderen, want onze neuronen zijn, door hun afmetingen (microscopisch klein, maar potentieel een meter lang) en snelheid (processen duren microseconden), moeilijk te onderzoeken. 32

Een ander, al eerder besproken, probleem is het feit dat met fMRI-onderzoek slechts neuron-activieit in hersengebieden kan worden aangetoond, maar dat de interpretatie daarvan kan verschillen.

Daar komt nog bij dat wij bij die interpretatie gebruikmaken van termen als ‘denken’, ‘reflectie’, ‘zelfregulatie’, ‘planning’, ‘empathie’, ‘schuldgevoel’, etc., die allemaal voortkomen uit eerdere pogingen om ervaringen uit onze belevingswereld een naam te geven zonder dat wee weten welk verband er bestaat tussen die ervaringen en de met fMRI-onderzoek waargenomen activiteit.
Onze hersenen blinken uit in complexiteit van functioneren , zodat het goed mogelijk is dat onze psychologische terminologie moet worden aangepast zodra we meer inzicht in de aard en het verloop van hersenprocessen hebben gekregen.

Overigens vragen sommige neuro-onderzoekers zich af, of het ooit mogelijk zal zijn om ‘alles’ over ons brein aan de weet te komen, omdat er voor het hierboven genoemde afmetingen/snelheidsprobleem geen oplossing lijkt te bestaan. 33

Toch zijn er genoeg plausibele en vernieuwende verklaringen voor het functioneren van ons brein gevonden op basis waarvan we kunnen proberen ons een voorstelling te maken over werking en functie ervan.
Zo geeft het vroege verschijnen van zenuwcellen in het proces van de evolutie ons (extra) reden om het functioneren van ons zenuwstelsel (ook) vanuit het perspectief van ‘survival value‘ te bekijken.
Bijvoorbeeld: wanneer we ervan uitgaan dat onze soort zich heeft gespecialiseerd in vaardigheden die ons in staat stellen complexe vormen van samenwerking aan te gaan, dan heeft het zin om al ons psychisch functioneren vanuit het perspectief van overleving te bekijken, dus ook onze gewetensfunctie.

De bevinding dat wij door onze genetisch aanleg zijn voorbereid om onze hersenontwikkeling in belangrijke mate door sociaal-culturele leerprocessen te laten beïnvloeden heeft consequenties voor de manier waarop we vragen over ons psycho-sociaal functioneren proberen te beantwoorden. Dus ook vragen over onze gewetensfunctie.

De recente bevindingen leveren ons nieuwe perspectieven op om naar ons eigen functioneren te kijken.
Fundamentele vragen (over ‘mind-body’, bewustzijn, vrije wil, emoties, intenties, etc.) worden er niet door opgelost, maar komen er wel meer door in de belangstelling. En dat is waardevol.
Dat geldt ook voor de gewetensfunctie.
Hoe dat daarvoor uitwerkt zal blijken in het volgende hoofdstuk waarin de al eerder geformuleerde vragen over het geweten zullen worden besproken (zie Vragen en antwoorden ).

  1. zie Wiki-warp
  2. Swaab, D.F. (2016). Ons creatieve brein: Hoe mens en wereld elkaar maken (1e druk). Amstrtdam Atlas Contact.
  3. Fox-2010-How the Timing and Quality of Early Experiences Influence the Development of Brain Architecture
  4. Edelman, G. M. (1987). Neural Darwinism : the theory of neuronal group selection. New York: Basic Books
  5. Emde, R. N., & Spicer, P. (2000). Experience in the midst of variation: new horizons for development and psychopathology. Dev Psychopathol, 12(3), 313-331
  6. The Brain-zygote
  7. The Brain-embryo
  8. Damasio, A. R. (2018). The strange order of things : life, feeling, and the making of the cultures. New York: Pantheon Books.
  9. Damasio, A. R. (2010). Self comes to mind : constructing the conscious brain (1st ed.). New York: Pantheon Books.’
  10. The Brain: embryo
  11. Swaab, D. F. (2011). Wij zijn ons brein : van baarmoeder tot Alzheimer. Amsterdam :: Contact.
  12. Edelman, G. M. (1987). Neural Darwinism : the theory of neuronal group selection. New York: Basic Books
  13. The Brain-plasticity
  14. Trevarthen, C., & Aitken, K. J. (2001). Infant intersubjectivity: research, theory, and clinical applications. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines, 42(1), 3-48
  15. Swaab, D.F. (2016). Ons creatieve brein: Hoe mens en wereld elkaar maken (1e druk). Amstrtdam Atlas Contact.
  16. Swaab, D. F. (2011). Wij zijn ons brein : van baarmoeder tot Alzheimer. Amsterdam :: Contact.
  17. zie wiki Genie
  18. de Waal, F. B. (2014). Natural normativity: The ‘is’ and ‘ought’of animal behavior. Behaviour, 151(2-3), 185-204.
  19. Van de Vondervoort, J. W., & Hamlin, J. K. (2018). The early emergence of sociomoral evaluation: infants prefer prosocial others. Curr Opin Psychol, 20, 77-81.
  20. ♦ markeert persoonlijke opmerking van auteur
  21. The Brain: pruning
  22. Belsky, J., & Fearon, R. M. (2002). Infant-mother attachment security, contextual risk, and early development: a moderational analysis. Dev Psychopathol, 14(2), 293-310
  23.  Stams, G.-J. J. M., Juffer, F., & van IJzendoorn, M. H. (2002). Maternal sensitivity, infant attachment, and temperament in early childhood predict adjustment in middle childhood: The case of adopted children and their biologically unrelated parents. Developmental Psychology, 38(5), 806-821
  24. zie wiki Genie
  25. zie bijv. Zero to Three: brain development
  26. ♦ markeert persoonlijke opmerking van auteur
  27. zie Zero to three: homepage
  28. zie wiki Broca
  29. wiki: Piaget
  30. The Brain: memory and learning
  31. Hein, G., Engelmann, J. B., Vollberg, M. C., & Tobler, P. N. (2016). How learning shapes the empathic brain. Proceedings of the National Academy of Sciences, 113(1), 80-85
  32. The Brain: metaphor
  33. Adolphs, R. (2015). The unsolved problems of neuroscience. Trends Cogn Sci, 19(4), 173-175.