Emde – gewetensontwikkeling

Emde, Bowlby, Spitz en Stern

R.N. Emde
Robert N. Emde, kinderpsychiater, infantresearcher en psychoanalyticus

In de jaren zeventig leverden nieuwe onderzoeks-methoden in de ontwikkelingspsychologie verrassende inzichten op over de sociaal-emotionele ontwikkeling van baby’s en peuters. 1

Voortbouwend op het werk van Bowlby (de grondlegger van de hechtingstheorie) en Spitz (de grondlegger van de infant-psychiatrie) deden psychoanalytici als Stern 2 en Emde 3 voorstellen voor een modernisering van de theorie voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.
Men had ontdekt dat een baby niet, zoals Freud dacht, als een ongedifferentieerd wezentje ter wereld komt, maar dat aanleg en activiteiten vanaf de eerste dag gericht zijn op het verkennen van de sociale wereld, op het zo spoedig mogelijk aangaan en onderhouden van wederkerige relaties.

Al in het eerste halve jaar zijn er de eerste oefeningen in wederkerigheid, bijvoorbeeld in geliefde spelletjes als turn-taking (om-de-beurt) met geluiden, bewegingen en oogcontact en in het aangaan, vasthouden en verbreken van affectief contact.
Alles lijkt erop gericht zo snel als mogelijk is, de ander in zijn gedachten, gevoelens en intenties te leren kennen en daarmee ook de mogelijkheid te krijgen om met die ander rekening te houden. 4

Niet-bewust leren

In de researchgroep had Emde een speciale belangstelling voor de morele ontwikkeling. 5 Hij ziet in die oefeningen in emotionele afstemming het aanleren van de ‘spelregels’ voor de wederkerigheid, zoals die gelden voor de eigen sociale groep.

Dit leerproces verloopt zonder dat het kind tot zelfreflectie in staat is en zonder dat het er een bewuste herinnering aan overhoudt. Het geleerde blijft dus onbewust, maar het wordt wel in het brein opgeslagen, zodat het bij volgende exploraties beschikbaar is om in praktijk te brengen.
Dit wordt procedural learning (“al doende leert men”) genoemd, een proces dat veel belangrijker is gebleken dan men eerder had gedacht en dat, bijvoorbeeld, ook voor de taalverwerving, al vanaf de eerste maanden, functioneert .
Al die ervaringen worden niet alleen opgeslagen, maar zijn ook van invloed op de manier waarop de hersenstructuren zich ontwikkelen. 6

Vroege ontwikkleing

Emde beschouwt die eerste sociale oefeningen, -die zowel bij de baby als bij de ouders meestal met veel plezier gepaard gaan-, als het begin van het socialisatieproces (opvoeding) en ziet de daarbij opgedane ervaringen, -vanwege de positieve, affectieve lading ervan-, zelfs als de kern van de morele ontwikkeling.
Deze fase van positieve wederkerige interacties noemt hij de Do-fase.

Rond de negen maanden maakt het kind een grote stap voorwaarts in sociale vaardigheden. Dan begint ook het social referencing, waarbij het kind in onzekere situaties oogcontact zoekt met de primaire verzorg(st)er, om, non-verbaal, steun te vragen en uit haar/zijn blik af te lezen wat het moet doen.

Niet lang daarna zorgt de toegenomen mobiliteit van het kind ervoor dat ouders, om ongelukjes te voorkomen, hun kind moeten inperken en corrigeren. Dat noemt Emde het begin van de Don’t-fase.
Door de positieve ervaringen in de voorafgaande Do-periode begint het kind aan deze fase met een coöperatieve instelling, waardoor frustraties minder snel optreden en conflicten sneller worden opgelost.

Rond de 18 maanden, wanneer het kind in staat is tot het vormen van mentale representaties (innerlijke voorstellingen), volgen de eerste tekenen van internaliseren van ouderlijke richtlijnen en verboden.
Het kind leert niet alleen te gehoorzamen, maar, belangrijker nog, het leert ook strategieën te ontwikkelen om over eigen wensen en de directieven van de ouders op een wederkerige manier te onderhandelen.

Rond de 24 maanden neemt het zelfbewustzijn toe en zorgen morele gevoelens, zoals schaamte, trots en voorlopers van schuldgevoelens, voor een grotere complexiteit.
Het kind raakt bijvoorbeeld gespannen zodra ouderlijke regels door een ander kind worden overtreden, of wanneer er iets stukgaat. Ook zijn er de eerste tekenen van empathische zorg voor een ander en kunnen kinderen eenvoudige morele dilemma’s begrijpen.

Conclusie

Emde en zijn collega’s hebben het beeld dat wij van baby’s en heel jonge kinderen hadden ingrijpend veranderd. Ze toonden aan dat ze, dankzij aanlegfactoren, al vanaf de geboorte tot veel meer in staat zijn dan lange tijd voor mogelijk was gehouden.

Emde’s ideeën bouwen voort op de biologisch gefundeerde hechtingstheorie van Bowlby. Maar baby’s zijn bij hun geboorte niet alleen op hechting gericht. Ze zijn ook begiftigd met sociale vaardigheden die hen impliciet als morele wezens bestempelen: gericht op het ontwikkelen van wederkerigheid, van empathie en van een geïnternaliseerd waardesysteem (normen en waarden van de eigen sociale groep).
Deze vaardigheden kunnen zich alleen ontwikkelen in positieve, wederkerige relaties met opvoeders. Niet-bewuste leerprocessen die ook de ontwikkeling van de hersenen meebepalen, maken dat mogelijk.

Emde is een clinicus en houdt daarom ook rekening met disfunctioneren van de gewetensfunctie, zoals afwijkende aanlegfactoren, afwezigheid of doorschieten van empathie en problemen met de vorming van een waardesysteem.
Zijn research gaat echter maar tot de leeftijd van vijf jaar.

Samenvatting door Emde zelf

Toespraak vanwege zijn eredoctoraat op 7 mei 2015
(duur 22 min; Engels)

——————-——– 2.2.2 ————————— ©2016 horsey

Informatie over de website → Wegwijs of Inhoudsopgave
Plaats een reactie → klik op Discussie
Gebruik de Terug-knop linksboven om terug te gaan naar de vorige webpagina.


  1. bijv. Bullowa, 1979
  2. Stern, 1985
  3. Emde, 1988a en 1988b
  4. Trevarthen, 2001
  5. Voor een overzicht: Stapert, 2011
  6. Schore, 2001a