Emde – gewetensontwikkeling

Robert N. Emde
Robert N. Emde ( 1935 – 2021) was kinderpsychiater en neo-Freudiaan, met speciale belangstelling voor de beginfase van de morele ontwikkeling.

Emde was kinderpsychiater en psychoanalyticus.
Hij heeft zich toegelegd op het onderzoek van de normale en afwijkende ontwikkeling van infants ( kinderen van 0 tot 5 jaar 1 ).
Hij is op dat terrein een van de pioniers.
Dat is hij ook op het gebied van de gewetensontwikkeling, vanwege zijn speciale belangstelling voor de vroegste fasen daarvan. Volgens hem begint die ontwikkeling al meteen vanaf de geboorte. 2 3
Dus is zijn visie voor onze Zoektocht naar het geweten zeker van belang.


Tekening van een jongen en meisje met daarbij de voornaamwoorden hij/zij  ijn/haar en hem/haar. In dit stuk zijn alleen mannelijke voornaamwoorden gebruikt.
Is hij een meisje? 4

Inhoud

  1. Een gedreven onderzoeker
    1. Emde’s opleiding
    2. René Spitz
  2. Infant -research
    1. Een ander Infant-beeld
    2. Emde’s denkkader
    3. Vroege sociaal-emotionele ontwikkeling
    4. Emotionele beschikbaarheid
    5. Social Self
  3. Morele ontwikkeling
    1. Nieuwe trends
    2. Regulatie van de morele kernfuncies


Een gedreven onderzoeker

Al in zijn jonge jaren viel hij op door zijn leergierigheid en ontdekkingsdrang. Via zijn moeder, die zich in de psychologie verdiepte, maakte hij kennis met literatuur over de psychiatrie en de psychoanalyse. 5
In zijn middelbare schooltijd deed hij vakantiewerk in een ouderwetse psychiatrische inrichting. In die tijd waren er nog geen effectieve psychofarmaca beschikbaar en deze ervaring maakte diepe indruk op hem.

Emde’s opleiding

Emde koos voor de medische opleiding. Daarvoor moest hij een pakket ‘pre-medische’ exacte vakken doorwerken, dat hij uit eigen beweging aanvulde met twee sociale vakken: de sociologie en de culturele antropologie.
Hij verdiepte zich toen in de ideeën van de filosoof en (sociaal)psycholoog John Dewey ( 1859- 1952 ) 6, over de grote invloed van de sociale omgeving op de ontwikkeling van kinderen. Het begrip Social Self van George H. Mead 7 sprak hem aan en werd voortaan in zijn werk een centraal thema.
Hij koos daarna voor de psychiatrische opleiding.

René Spitz ( 1887 -1974 )

Twee baby’s ( 9 en 10 mnd. ) vertonen tekenen van ‘anaclitische depressie, maanden nadat ze hun moeder hadden verloren ( 4;25 min. ).

Al vroeg in zijn psychiatrieopleiding zocht Emde naar mogelijkheden om research te doen.
Samen met een collega-in-opleiding besloot hij om baby-observaties te gaan doen, in de hoop dat zij René Spitz zouden kunnen overhalen om hun mentor en supervisor te worden.
Spitz, afkomstig uit Oostenrijk, was hoogleraar in de psychiatrie in Denver (CO) en wordt wel de eerste infant-psychiater genoemd. 8
Hij had bekendheid gekregen door zijn studie van de effecten van emotionele deprivatie van baby’s die door omstandigheden hun ouders waren kwijtgeraakt en in weeshuizen waren terechtgekomen. 9

Zijn publicaties over die maternal deprivation maakten indruk, maar vooral zijn films met aangrijpende beelden van de baby’s die hij als anaclitisch depressief omschreef. 10 Ze huilden vaak lang en wanhopig, vervielen daarna in stereotiep gedrag, waarna een aantal van hen letterlijk de wereld de rug toekeerden, niet meer wilden eten en zelfs stierven.

Hoewel Spitz toen al in de zeventig was, en van plan was om naar Europa terug te gaan, slaagden de twee in hun opzet om hun observaties van infants in samenwerking met hem en onder zijn supervisie voort te zetten. 11 12

Emde’s psychiatrische opleiding was, zoals vaak in die tijd, psychoanalytisch georiënteerd en ook Spitz was analyticus, maar niet van het orthodoxe type. Hij was geïnteresseerd in de normale en de afwijkende ontwikkeling van de infants die ze observeerden, vooral op het gebied van emoties, communicatie en relatievorming,

Lorenz is ‘de moeder’ voor zijn ‘goslings’, omdat hij de eerste is die zij in de uren na het uitkomen van hun ei te zien kregen. Ook toen hij rende, zwom of in een boot peddelde bleef de ‘imprint‘ werken. De ‘hechting’ was gelukt. ( video 1:47 )

Ook observaties en ideeën vanuit andere vakgebieden hadden zijn belangstelling.
Zo had hij contact met zijn landgenoot, de Oostenrijkse bioloog Konrad Lorenz die met zijn ethologische werkwijze nieuwe ideeën voor de observaties en over de ontwikkeling van infants meebracht.

Lorenz zelf bestudeerde het proces van imprinting bij pas uit het ei gekomen gansjes. Met deze ethologische experimenten onderzocht hij hoe bij hen de moeder-kind-binding tot stand kwam. Daarmee liet hij zien dat er mogelijk ook bij het ontstaan van de moeder-kindrelatie bij mensen een biologische factor mee zou kunnen spelen.

Infant research

Emde zette zijn observaties voort en verdiepte zich in Spitz’s onderzoeksthema’s: communicatie, emoties en ouder-kindrelatie.
Dat deed hij ook nadat Spitz in 1974 was overleden en hij hem in 1976 in Denver als hoogleraar psychiatrie opvolgde.
Hij was toen kinderpsychiater en psychoanalyticus, met speciale belangstelling voor de allervroegste ontwikkeling.

Emde en zijn collega’s probeerden aanknopingspunten te vinden voor een fase-indeling in de vroege infant-periode door te onderzoeken wat er veranderde rond momenten dat ‘nieuwe’ emoties zich aandienden.
De sociale glimlach ( bij 2 tot 3 maanden ), de acht-maands-angst ( angst voor vreemden ) en het eerste “Nee!” ( ~18 maanden ) 13 bleken echter geen nieuwe fase in te luiden. Daarvoor gebeurde er gewoon veel teveel op allerlei terrein tegelijkertijd.

Een van hun conclusies was dat het opgroeien van een baby een veel ingewikkelder proces is dan ze zich tot dan toe hadden voorgesteld.
Zij, en veel infant-researchers met/na hen, zouden nog vaker tot eenzelfde conclusie komen.

Een ander Infant-beeld

All in de jaren zestig ging Emde deel uitmaken van een snel groeiende groep onderzoekers en behandelaars die een speciale belangstelling voor infants en hun ouders hadden gekregen.
Er bestond bij hen onvrede over het passieve en inactieve Infant-beeld, dat voortkwam uit de in die tijd dominante opvattingen uit Freud’s psychoanalyse of uit Watson’s behaviorisme ( zie Ons Kind-beeld – in de wetenschap; daar wordt nog aan gewerkt ).

Kinderartsen, ontwikkelingspsychologen, psychiaters, ouderbegeleiders, psychotherapeuten, linguïsten en ethologen zagen in hun werk dat baby’s al vanaf hun geboorte actieve partners kunnen zijn in de interacties met hun ouders. 14

Maar in de tijd dat iedereen zat te wachten totdat het kind eindelijk kon lopen en praten, om dan sociaal ‘mee te kunnen doen’, zag men over het hoofd dat, juist voor dat sociale, veel meer dan lopen en praten nodig is en dat een baby al heel vroeg daarmee bezig is.
De meest opvallende ontdekkingen van de infant-researchers hadden dan ook betrekking op sociaal-emotionele vaardigheden.

Nieuwe technieken, zoals gelijktijdige video-opnamen van kind en ouder, stelden de onderzoekers in staat de ouder-kind-interacties nauwkeuriger te observeren.
Tevens ontwikkelden ze ingenieuze technieken om aan de pre-verbale baby’s een ‘mening‘ te ontlokken 15
In de negentiger jaren kwamen daar de bevindingen bij van de neurobiologie die toen aan een opmars begon. 16 17

Voorbeelden
Een aantal voorbeelden van nieuwe inzichten die door Emde en zijn team en door geestverwante infant-researchers zijn geformuleerd:

  • Jonge infants worden niet alleen door orale driften ‘aangestuurd’, zoals Freud dacht, maar zijn al vanaf de geboorte door andere aangeboren drijfveren op hun sociale omgeving gericht. 18
  • Ook liggen ze niet te wachten totdat hun ouders hen gaan ‘vormen’, zoals de behaviorist Watson veronderstelde, want ze hebben een ‘ingebouwde’ exploratiedrang ( zie Ons Kind-beeld in de Wetenschap ; daar wordt nog aan gewerkt ).
  • Neonaten zijn erg geïnteresseerd in gezichten ( rekeninghoudend met bijziendheid in de eerste weken ) en herkennen stemmen.
  • Ze hebben het vermogen gezichtsuitdrukkingen te imiteren waardoor ze zich beter in een ander kunnen verplaatsen ( voorloper van empathie ). 19
  • Praten kunnen ze nog niet, maar wel communiceren, waarbij emoties de ’taal van de baby’ blijken te zijn. 20
  • Ook door oogcontact en lichaamsbewegingen kunnen ze op non-verbale manier heel expressief zijn. 21
  • Baby’s hebben voorkeuren voor bekende gezichten en stemmen, waarvan sommige ook weer favoriet zijn. En ze hebben plezier in bepaalde interacties, zoals iets samen doen en het delen van ervaringen. 22
  • Ze leren van ervaringen, ook al houden ze daar geen bewuste herinnering aan over. Het geleerde wordt echter wel in het brein opgeslagen, zodat het bij volgende exploraties als ‘referentie’ beschikbaar is om kennis aan te vullen of aan te passen. 23 Men noemt dit: procedural learning. 24 Dit onbewuste proces, dat bijv. ook bij het leren beheersen van de motoriek ‘werkt’, bleek veel belangrijker te zijn dan men had gedacht.
  • Al die ervaringen worden niet alleen in het brein opgeslagen, maar zijn ook van invloed op de manier waarop de hersenstructuren zich ontwikkelen. 25 Ze zijn dus allerminst ‘vluchtig’ van aard.
  • Dat baby’s nog veel moeten leren wil niet zeggen dat er voor hun gedrag eenvoudige verklaringen bestaan. Bij hun sociale verkenningen zijn ze al met heel complexe ervaringen bezig. 26
  • Non-verbale communicatie is bij alle sociale dieren essentieel voor de overleving, dus ook bij mensen. Immers, tot in de volwassenheid blijft het kunnen ‘lezen’ van lichaamstaal essentieel om anderen te kunnen begrijpen.
  • Recent hebben neurobiologische bevindingen een deeel van deze nieuwe ideeën kunnen ondersteunen of aannemelijk kunnen maken. Dat geldt in ieder geval voor het inzicht dat infants in hun eerste jaar volop bezig zijn met het ontwikkelen van sociale vaardigheden. ( zie Ons Kind-beeld in de Wetenschap ; daar wordt nog aan gewerkt – en Ons brein-beeld verandert deel 3, §§: Baby-brein en Ons sociale brein ).
Puppy in de armen van een jong meisje.
Wij van de ‘sociale dieren‘-club kunnen het non-verbaal prima met elkaar vinden.

Ook bij andere sociale diersoorten spelen non-verbale, vaak emotionele signalen een grote rol. 27
In de historie van het evolutie-proces komt bij onze soort de ontwikkeling van gesproken taal later dan die van de non-verbale communicatie. Dus is die volgorde ook in de kinderontwikkeling te vinden ( zie Ons brein-beeld verandert deel 3 )

Overigens start ook de taalontwikkeling al rond de geboorte. Baby’s zijn goed in het categoriseren van ervaringen in ‘bekend / onbekend’ en doen dat ook met de klanken die ze horen. Deze ordenen ze en ‘verzamelen’ daarmee de klankgroepen die voor hun moedertaal belangrijk zijn. Dat proces is rond het eerste levensjaar afgerond en is op latere leeftijd moeilijker op gang te brengen ( veel Chinese en sommige Afrikaanse volken maken geen onderscheid tussen de r- en de l-klank, omdat ze dat in hun baby-tijd niet hebben geleerd. Daardoor spreken ze, in onze taal, een woord als “rijst” vaak als “lijst” uit. )
Die klanken-‘kennis’ gebruiken ze vervolgens om woorden te gaan onderscheiden waarmee ze later zinnen kunnen maken. 28

Emde’s denkkader

Emde wilde deze bevindingen een plaats geven in zijn visie op de kinderontwikkeling. Drie theoretische kaders waren voor hem daarbij van belang.

  • Freud’s psychoanalyse.
    Volgens Freud kon pas bij 18 maanden iets van een innerlijke structuur ontstaan ( zie Freud ). Tot die leeftijd beschouwde hij een kind als nog ongedifferentieerd. Mahler sprak daarom van de psychologische geboorte op die leeftijd 29
    Dat idee paste totaal niet bij de nieuwe bevindingen.

    Emde had wel voor andere ideeën van Freud veel waardering, zoals het centraal stellen van de belevingswereld van het individu 30 Hij was echter ook een neo-Freudiaan en had de ambitie om Freud’s theorie in overeenstemming te brengen met wetenschappelijke bevindingen uit andere vakgebieden, zoals de infant-research en de neurobiologie.

    Emde toonde aan dat de gewetensontwikkeling veel vroeger begint dan Freud veronderstelde en dat daarbij positieve emoties de hoofdrol spelen, terwijl Freud uitging van woede en angst als motiverende factoren ( zie Freud ) 31
    Vanwege zijn ambitie zijn veel van Emde’s publicaties in psychoanalytische tijdschriften verschenen.

  • Darwin’s evolutietheorie en de daaruit voortkomende ethologie.
    Bij bestudering van het gedrag en de eigenschappen van infants stelde hij zichzelf steeds de ethologische vraag wat de survival value ervan zou kunnen zijn.
    Hij vond de evolutionaire psychologie (zie De Waal ) al vanaf het begin van zijn loopbaan heel waardevol.

  • Von Bertalanffy’s Algemene Systeem Theorie ( AST )
    Tevens hechtte hij veel waarde aan de biologisch georiënteerde AST. Deze vertoont veel overeenkomsten met de, door Emde eveneens bestudeerde en gewaardeerde structuralistische visie van Jean Piaget op de kinderontwikkeling ( zie Kohlberg § De onbekende Piaget; en de bijlage Systeemdenken in de kinderpsychiatrie ) .
    Later zou hij de AST ‘upgraden’ naar de Dynamische Systeem Theorie ( DST ) 32 die geschikter is dan de AST om veranderingsprocessen, zoals de kinderontwikkeling, mee te beschrijven. 33

De Systeemtheorie bood Emde een denkkader waarin hij uiteenlopende ideeën en bevindingen van onderzoeken kon onderbrengen door ze op een eigen niveau van organisatie te plaatsen.
Begrippen die tot dan toe als tegenstelling van elkaar waren beschouwd, -zoals lichamelijk vs. geestelijk, aanleg vs. opvoeding, psychologisch vs. cultureel, etc.-, kunnen daardoor allemaal als een ‘manier van kijken’ worden aangemerkt, als aspecten van de realiteit waarvan de ( mogelijke ) samenhang kan worden onderzocht 34

Dat gaf Emde de mogelijkheid om informatie uit, bijvoorbeeld, de neurobiologie, de ethologie, de ontwikkelingspsychologie, de sociologie, de psychiatrie en de psychoanalyse zonder onnodig reductionisme een plaats te geven in zijn denken over kinderontwikkeling, de psychopathologie, de behandeling, preventieve interventies, etc. 35

Vroege sociaal-emotionele ontwikkeling

Dit is een breed en complex onderdeel van de kinder-ontwikkeling dat, volgens Emde, al rond de geboorte begint. Dan worden aangeboren drijfveren actief waarmee het kind ‘biologisch is voorbereid’ om actief de wereld te gaan verkennen (vgl. Piaget; zie Kohlberg § De onbekende Piaget ).
Anders dan Piaget, onderscheidt Emde meerdere aangeboren sociale drijfveren: voor communicatie, contact maken, afstemmen op anderen, samen doen, delen van ervaringen, wederkerige interacties en inleven in anderen ( imitatie en empathie ).

Het doel ervan is:
1. Het verwerven en veiligstellen van een eigen plek binnen de sociale groep waarin het kind is terechtgekomen.
2. De ontwikkeling van de persoonlijkheid door de vorming van het eigen Zelf als centrum van ervaring en bron van handeling.
3. Het aangaan van affectieve relaties, gericht op samenerking en intimiteit.

Van de nieuwe wereldburger en zijn ouders vragen deze processen een forse investering in tijd en emotionele energie om een zo goed mogelijke wederzijdse afstemming te bereiken. 36
We zullen bekijken hoe dat er, volgens Emde, in die vroege fase eruit ziet.

Vanaf het begin
In de eerste 18 maanden gaat de ontwikkeling van de motoriek, de zintuigen en de cognitieve functies razendsnel ( zie Ons brein-beeld verandert , deel 3 § Een hectisch eerste levensjaar ). Maar vooral de sociaal-emotionele ontwikkeling zorgt voor verrassingen.
Zo blijkt deze voor onze Zoektocht naar het geweten erg belangrijk te zijn.

Voorkeuren
De pasgeborene heeft meteen al voorkeuren, zoals voor de stem van de moeder waarmee hij al in de baarmoeder vertrouwd is geraakt. Al na enige dagen komt daar een voorkeur voor de geur van de melk van de eigen moeder bij.

In de eerste weken is de baby nog bijziend, maar zelfs dan al heeft hij, van dichtbij, een aangeboren voorkeur voor gezichten ( ook voor een getekend gezicht: ogen, neus, mond ). Ook kan hij gezichtsuitdrukkingen imiteren.

Er ontstaan vervolgens nieuwe voorkeuren, omdat het kind de aangeboren neiging heeft om onderscheid te maken tussen plezierig en onplezierig ( wat vaak overeenkomt met bekend / onbekend ). Het zal dan proberen plezierige ervaringen weer op te zoeken en de negatieve te vermijden. Hij doet daarvoor pogingen zijn omgeving ‘richting plezier‘ te krijgen. Maar ook door zichzelf beter aan zijn omgeving aan te passen zodat een betere sociaal fit ontstaat.

Al deze gedragingen zijn meestal kort en subtiel en kunnen een observator daardoor gemakkelijk ontgaan. Pas bij gedetailleerde bestudering, bijvoorbeeld van video-beelden, zijn ze op een betrouwbare manier te bestuderen.
Dan blijkt dat alles war lijkt op ‘samen doen‘ op enthousiaste reacties kan rekenen.

Big smile
Wanneer hij na 6 tot 8 weken beter kan zien, krijgt hij een voorkeur voor bekende gezichten die voortaan, ook al op afstand, met een onweerstaanbare ‘big smile‘ kunnen worden begroet.
Vanaf die tijd kan het kind ieder die in zijn gezichtsveld komt met nieuwsgierige interesse met de ogen gaan volgen, gretig op zoek naar wat nieuw is.

Do-phase
Al in het eerste halve jaar zijn er de eerste oefeningen in wederkerigheid, bijvoorbeeld in geliefde spelletjes als turn-taking (om-de-beurt), met geluiden, bewegingen en oogcontact. Daarbij ‘speelt’ de baby ook met het aangaan, vasthouden en verbreken van affectief contact.
Vanwege de stimulerende rol die de ouders in deze periode hebben noemt Emde dit de Do-phase.

De baby is al in aanleg voorbereid om deze dyadische interacties aan te gaan met volwassenen met wie hij inmiddels vertrouwd is geraakt en een voorkeursrelatie heeft opgebouwd. Deze kan daarna tot een veilige gehechtheidsrelatie uitgroeien.

Dat avontuur’ kan een baby slechts met een beperkt aantal volwassenen ondernemen. Binnen dat groepje is er weer een rangorde waarbij meestal de moeder de ‘beste papieren’ heeft voor de eerste plaats.

Vertrouwdheid en voorspelbaarheid zijn zo belangrijk omdat de baby in alles erop is gericht zo snel als mogelijk is, de ander in zijn gedachten, gevoelens en intenties te leren kennen. Met teveel en/of wisselende verzorgers lukt dat niet. Ook andere jonge kinderen zijn daarvoor niet geschikt. De primaire verzorger zal voor dat proces voldoende tijd en emotionele betrokkenheid moeten kunnen opbrengen en functioneert dan als leraar, proefpersoon en voorbeeld.

De baby moet namelijk leren met ander(en) rekening te houden. 37
Dat is de ‘opdracht’ die de evolutie aan de nieuweling heeft meegegeven: leer rekening houden met een ander, want dat is cruciaal voor het kunnen functioneren in een sociale groep. En dat is weer noodzakelijk om een eigen plek in deze nieuwe wereld veilig te stellen.

Emde beschouwt die eerste sociale oefeningen, -die aan de baby en aan de ouders vaak veel plezier verschaffen-, dan ook als het begin van het socialisatieproces (opvoeding).
Met die oefeningen in emotionele afstemming leert het kind spelenderwijs de ‘spelregels’ voor de wederkerigheid, zoals die gelden voor de eigen sociale groep, kennen en naleven.
Rekening houden met de ander is op deze manier een plezierige bezigheid, geen moeizame opgave. Het levert het kind positieve ervaringen op die het zal willen herhalen. Ze gaan dan deel uitmaken van de zo belangrijke voorspelbaarheid van de dagelijkse routine waarin het kind vertrouwen in de ander en in zichzelf kan opbouwen.
Die positieve affectieve ervaringen zullen dan de kern van het eigen Zelf van het kind gaan vormen.
Er ontstaat een sociaal Zelf dat, vanwege het rekening houden met anderen, tevens een moreel Zelf zal worden. 38 39

Social referencing
Rond de negen maanden maakt het kind een grote stap voorwaarts in sociale vaardigheden. Het kan de ander dan als ander gaan ervaren, met een eigen ‘binnenwereld’ van gedachten, gevoelens en intenties.
Bijvoorbeeld door te wijzen zoekt hij naar manieren om ervaringen met die ander te delen. Je ziet het kind daarbij geconcentreerd opletten hoe die ander op zijn ‘uitnodiging’ reageert.

Dan begint ook het social referencing, waarbij het kind in onzekere situaties oogcontact zoekt met de primaire verzorger, om non-verbaal steun te vragen door van het gezicht van de ander af te lezen wat het moet doen. Deze vorm van feedback blijft ook in de jaren daarna een belangrijke manier om te checken of ie ‘goed zit’. 40

Don’t-phase
Niet lang daarna zorgt de toegenomen mobiliteit van het kind ervoor dat ouders, om ongelukjes te voorkomen, hun kind moeten inperken en corrigeren. Dat noemt Emde het begin van de Don’t-phase, die door de meeste ouders als het begin van de ‘echte’ opvoeding wordt beschouwd.

Door de positieve ervaringen in de voorafgaande Do-periode begint het kind aan deze fase met een positieve, coöperatieve instelling, met het vertrouwen dat het ook in die nieuwe situatie het begrip, de steun en waardering zal krijgen die het nodig heeft. Daardoor kan het frustraties beter verdragen en zijn conflicten sneller opgelost. 41

Rond de 18 maanden, wanneer de infant in staat is tot het vormen van mentale representaties (innerlijke voorstellingen), volgen de eerste tekenen van internaliseren van ouderlijke richtlijnen en verboden.

Het kind leert niet alleen te gehoorzamen, maar, belangrijker nog, het leert ook strategieën te ontwikkelen om over eigen wensen en de directieven van de ouders op een coöperatieve manier te onderhandelen. De wederkerigheids-‘spelletjes’ van de Do-periode blijken dan een goede voorbereiding voor fair play te zijn bij deze nieuwe ‘spel’-situaties.

Rond de 24 maanden neemt het zelfbewustzijn toe en zorgen morele gevoelens, zoals schaamte, trots en voorlopers van schuldgevoelens voor een grotere complexiteit. 42
Het kind raakt, bijvoorbeeld, gespannen zodra ouderlijke regels door een ander kind worden overtreden, of wanneer er iets stukgaat.

Ook zijn er de eerste tekenen van empathische zorg voor een ander en is het kind zover dat het eenvoudige morele dilemma’s kan begrijpen. Met 36 maanden, veel eerder dan voorheen was verondersteld, lukt dat al goed. 43

Emotionele beschikbaarheid van de ouders

Hoe de sociaal-emotionele ontwikkeling verloopt hangt voor een groot deel af van de mogelijkheden en betrokkenheid van de ouders. Zij zijn daarbij zowel leraar/gids, voorbeeld, als proefpersoon in de affectieve interacties met hun kind.
De infant heeft vaste, vertrouwde volwassenen nodig die emotioneel beschikbaar zijn en in staat om sensitief op de verkenningen van hun baby te reageren. Dit noemt men responsiviteit.
Hoe belangrijk die is blijkt uit onderzoek naar de verdere sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen die geen of te weinig emotionele beschikbaarheid hebben ervaren. Bijvoorbeeld omdat ze zijn verwaarloosd, of omdat ze door een depressieve ouder zijn grootgebracht. 44 45

Emde en zijn team hebben de Emotional Availability Scales ( EAS ) ontwikkeld ter beoordeling van de kwaliteit van de ouder-kind-interacties. De mate van responsiviteit is daarin een centrale factor. Deze EAS is wereldwijd in gebruik.

In de zeer uitgebreide attachment-research ( gehechtheid ) staat responsiviteit eveneens centraal, maar daarbij ligt de nadruk op de reactie van de ouder op signalen van distress ( nood, verdriet ) bij het kind.
In de EAS echter heeft die betrekking op een breed scala aan emoties, waar zeker ook positieve gevoelens van ouder en kind bij horen.
Emde is van mening dat de EAS een completer beeld van de kwaliteit van de ouder-kind-interactie geeft, omdat de respons op positieve emoties in die interacties zo van belang is 46 Hij signaleert dat de meeste onderzoekers relaties tussen negatieve ouderscores en latere kindproblemen signaleren, terwijl het effect van positieve ouderscores op de kinderontwikkeling maar werinig is onderzocht. Emde noemt er drie 47 die zijn theorie over het belang van positieve emoties ondersteunen. 48 49 50 51

Social Self

Het nieuwe Infant-beeld laat dus een sociale baby zien die gretig op zoek is naar mogelijkheden van samen zijn en samen doen. Het zoeken naar manieren om dat door beïnvloeding van de omgeving voor elkaar te krijgen hoort daar ook bij. Evenals het zoeken naar manieren om dat door zichzelf zo goed mogelijk aan zijn omgeving aan te passen te bereiken.
Het Zelf van de baby ontwikkelt zich daardoor tot een Social Self.
Dit begrip verwijst naar de grote invloed van de sociale omgeving.op de ontwikkeling van dat Zelf bij kinderen.

Emde nam afstand van het psychoanalytisch concept van het Zelf dat zich eerst als een individueel Zelf zou ontwikkelen en pas daarna zich ook sociaal en autonoom zou kunnen gedragen, zoals Margaret Mahler had voorgesteld 52.

Zoals al vermeld, was Emde al vroeg in zijn opleiding overtuigd van het belang van het Social Self ( zie boven ). In zijn research zag hij dit idee steeds meer bevestigd.
Dat hij hierin niet alleen stond, blijkt wanneer hij verwijst naar overeenkomstige ideeën van onderzoekers als:
Daniel Stern die een interpersoonlijke ervaringswereld beschrijft waarin de baby een Zelf ontwikkelt door interacties met een ander Zelf ( meestal een ouder ). 53
Colwyn Trevarthen die, op basis van ‘micro-analyses’ van video-beelden van ouder-infant-interacties een proces beschrijft, van onderlinge afstemming door het delen van ervaringen, intenties en gevoelens, dat hij intersubjectiviteit noemt. 54
Grazina Kochanska die in haar research spreekt over “mutual responsive orientation” ( zie Kochanska ). 55
Vittorio Gallese die, als neurobioloog, het begrip intersubjectivity heeft omarmd om de werking van de mirror neuronen te beschrijven. Hij beschouwt die als de neurale basis van gedeelde ervaringen en de belichaming van het bredere begrip empathie. 56
( voor mirror neuronen zie: Ons brein-beeld verandert deel 3 ).
Lev Vygotsky (1896-1934; zie wiki Vygotsky ) wiens werk verwant is aan dat van Piaget, maar die de kinderontwikkeling beschouwde als resultaat van een co-constructief proces, van samenwerking van kind en ouders. 57
John Bowlby, die de gehechtheidstheorie ontwierp, spreekt over “internal working models” die het resultaat zijn van die vroege sociale interacties, bepalend voor de relationele ‘competentie‘ in latere jaren.58

Emde stelt dat we, voor een goed begrip van wat er in die vroege fase gebeurt, beter over de vorming van een ‘we-go‘ dan die van een ego ( zie Freud ) kunnen spreken. 59

Morele ontwikkeling

Emde valt binnen de groep van infant-researchers op door zijn expliciete belangstelling voor de vroege fasen van de morele ontwikkeling. Daarover hebben niet alleen hij en zijn team gepubliceerd, maar hij inspireerde andere researchers hiernaar onderzoek te doen. Van hen is Kochanska het meest succesvol geweest.
In een recente publicatie heeft hij zijn ideeën over de morele ontwikkeling nog eens op een rij gezet. 60
In dat overzicht verwijst hij naar de hierboven beschreven infant-research. Maar daarnaast signaleert hij een aantal paradigmatische veranderingen bij degenen die in de laatste twee decennia de morele ontwikkeling zijn gaan bestuderen.

Nieuwe trends

  • Het lange tijd dominante idee dat het bij gewetenszaken om rationele afwegingen, zou gaan, met (zelf)reflectie en relatief doelgericht gedrag ( zoals Piaget en Kohlberg voor ogen stond ) komt veel minder vaak voor dan voorheen werd gedacht.
    In plaats daarvan krijgen emotionele factoren meer aandacht, evenals, daarmee samenhangend, het vaak intuïtieve karakter ervan dat voor een zekere autonomie van het morele reageren zorgt. Emde verwijst o.a. naar het werk van ‘intuïtisten’ zoals Haidt ( zie Haidt ) 61

  • Tevens is men meer op zoek naar de ( universele ) wortels van de moraal vanuit vakgebieden als de evolutionaire psychologie ( Emde verwijst o.a. naar De Waal 62 ; en Tomasello 63; en Hauser 64) vanuit transculturele studies en vanuit hersenonderzoek, zoals dat van Gallese over mirror neurons 65 en Iacoboni 66

  • Verder noemt hij het treffend dat er inmiddels een brede overeenstemming bestaat over welke vermogens de kern van de menselijke moraliteit uitmaken.
    Deze morele kernfuncties zijn: wederkerigheid en empathie. Zonder aarzeling voegt Emde daar het internaliseren van normen en waarden ( valuation ) aan toe, wat hij impliciet acht in elk moreel systeem.

    Hij stelt dat deze drie een biologische basis hebben en dus aangeboren zijn, maar zich slechts door interactie met de sociale omgeving kunnen ontwikkelen.
    Hij noemt ze evolutionaire aanpassingen van onze soort die, volgens hem, universeel zijn.
    Op deze kernfuncties gaat hij vervolgens nog verder in.

Regulatie van morele kernfuncties

Die aanlegfactoren staan bij de geboorte klaar en de neonaat is ‘eager’ om ze te gaan gebruiken. Maar om ze te activeren en ze vervolgens goed te ‘laten werken’ is sturende actie vanuit de omgeving noodzakelijk. Tot deze regulatie is de baby zelf nog niet in staat. Door het opdoen van ervaringen in wederkerige interacties met primaire verzorgers kan het kind zelf-regulatie ontwikkelen.

Zelf-regulatie

Een baby is te beschouwen als een dynamisch systeem 67
Regulatie is een van de basisprincipes van dynamische systemen, een continu proces dat leven mogelijk maakt. Het speelt zich af op alle niveaus van organisatie van het systeem; van cel tot samenleving (zie bijlage Systeemdenken in de kinderpsychiatrie ).
De meeste van die processen zijn zelf-regulerend. Bij een baby echter is, bijvoorbeeld, de warmteregulatie ( voorkomen van te hoge of te lage lichaamstemperatuur ) nog niet zover en is het kind daarvoor afhankelijk van externe regulatie door de ouders.
Op eenzelfde manier kan de baby emotionle ‘oververhitting‘ ( teveel opwinding of verdriet ) nog niet de baas en is ook daarbij van die externe ouderlijke zorg afhankelijk.
Emde rekent het vermogen tot zelf-regulatie daarom tot de aangeboren capaciteiten die zich nog in interacties met de primaire verzorger moeten ontwikkelen.

‘Samen in de achtbaan’ 68

Dat kan door interacties waarin kind en verzorger samen de grenzen van emotionele spanning opzoeken en de verzorger vervolgens, door het ‘afremmen’ van de gezamenlijke opwinding, het kind laat ervaren dat het ook weer ’terug’ kan naar normaal. 69

Kinderen die dit soort ‘bijsturende’ ervaringen te weinig meemaken staan vaker aan overspoelende ervaringen bloot dan wanneer ze die wel hebben geleerd.
Bij dergelijke interacties gebeurt er veel. Want het is een wederzijds proces waarbij emotionele signalen worden afgegeven, worden uitgeprobeerd en geïnterpreteerd. Emde verwijst naar ‘soial-relational’ research op dit gebied 70

Aangezien dit leerproces zich afspeelt in de periode dat de hersenontwikkeling op volle toeren draait en daarbij vaste patronen in neurale circuits vastlegt ( zie Ons brein-beeld verrandert, deel 3, § Het baby-brein ) heeft dat gemis consequenties voor de langere termijn.

Ook voor de ouders kan het heel stresserend zijn wanneer het hen niet lukt om hun baby die overstuur is tot bedaren te brengen. Zij staan dan voor de opgave om eerst zichzelf weer tot kalmte te brengen. Pas dan kan ook het kind tot bedaren komen. 71

Stimulering van de morele kernfuncties

Alles draait om het vinden van de juiste afstemming.
Er bestaat namelijk een verband tussen de mate van stimulering en het al dan niet goed gaan functioneren van het betreffende aangeboren vermogen.

Voor de drie morele kernfuncties beschrijft Emde een glijdende schaal ( volgens de normale verdeling; in de vorm van een omgekeerde U ). Die curve laat het effect zien van te weinig, via optimaal naar teveel stimulering van die nfuncties.
Daarnaast bespreekt hij een mogelijke ontaarding van deze sociale vaardigheden ( “the dark side”).

Wederkerigheid
Dit gaat om een streven naar ‘eerlijk delen’, naar ‘fair play’, ‘gelijkwaardigheid’ en uiteindelijk naar ‘rechtvaardigheid’ zoals bedoeld in de theorie van Piaget en Kohlberg .
Wederkerigheid ligt ten grondslag aan de Gouden Regel‘: “Behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden”. Dit principe is in iedere cultuur terug te vinden, omdat het zorgt voor de noodzakelijke samenwerking binnen de eigen groep die een voorwaarde is voor de overleving van onze soort.

Te weinig stimulering van deze kernfunctie door de primaire verzorgers en opvoeders geeft een te grote neiging om zelfbelang en/of om zelfverheffing na te jagen.
Teveel stimulering leidt tot te weinig assertiviteit bij het kind.
Ontaarding van deze functie leidt tot vormen van vergelding of wraak. Dit kan leiden tot conflicten en geweld.

Empathie
Bij deze kernfunctie staat het zich kunnen inleven in de gedachten en gevoelens van een ander centraal. Ook meeleven hoort erbij met de geneigdheid om iemand die hulp nodig heeft of lijdt te helpen ( zie Hoffman en de Waal )
Bij te weinig stimulering van deze kernfunctie ontstaat ongevoeligheid en harteloosheid tegenover anderen.
Bij teveel stimulering kan angstige bezorgdheid ontstaan en een onvermogen om enige afstand te nemen van iemands leed zodat je er zelf door overspoeld kunt raken ( bijv. op een Eerste Hulp niet in staat zijn de benodigde hulp te geven ).
Bij ontaarding kan dit vermogen worden misbruikt om iemand, door je in hem in te leven, op te lichten of anderszins kwaad te doen, omdat je de zwakheden/gevoeligheden van her slachtoffer hebt doorgrond. Het element van meeleven en de neiging tot helpen ontbreekt. Er kan zelfs plezier in de angst of het verdriet van het slachtoffer bestaan. (zoals bij psychopathie kan voorkomen; zie Blair )

Internaliseren van normen en waarden
Dit gaat om het je eigen maken van sociale regels en gedragsnormen, met de bijbehorende verwachtingen over eigen en andermans gedrag. Deze zijn het resultaat van zich steeds herhalende dagelijkse ervaringen, opgedaan in dagelijkse interacties met ouders en anderen

Bij te weinig stimulering ontstaat verontachtzaming van sociale regels.
Bij teveel stimulering kunnen de regels gaan domineren, bijv. belangrijker worden dan meegevoel.
Bij ontaarding kunnen vooroordelen, intolerantie, discriminatie en starheid ontstaan bij een zelfingenomen of law-and-order mentaliteit.

Aan de hand van deze voorbeelden laat Emde zien waarom hij de sociaal-emotionele interacties zo belangrijk vindt. Ze activeren de aangeboren vermogens, vormen de persoonlijkheid en doen een ‘social self’, en daarmee een ‘moral self’, ontstaan. Bij een gebrek aan die interacties ontwikkelt een kind geen of heel beperkte sociale vaardigheden ( zie bijv. Ons Kind-beeld, vtoeger en nu, § De wilde jongen van Aveyron )

Conclusie

Algemeen

Emde heeft op het gebied van de infant-ontwikkeling veel research gedaan en gepubliceerd, maar op dat gebied ook veel bijgedragen aan de geestelijke gezondheidszorg ( Infant Mental Health ).
Dat betreft:

  • Diagnostiek met een aanvulling voor de DSM die voor de infantgroep geen passende categorieën had 72
  • Preventie door hulp bij ‘risico-zwangerschappen’ ( vaak tienermoeders) 73
  • Internationale samenwerking in de World Association of Infant Mental Health ( WAIMH) Nederlandse afdeling DAIMH 74
  • Tijdschrift: Journal for Infant Mental Health

Gewetensontwikkeling

Emde heeft laten zien dat de gewetensontwikkeling geen apart, ‘bovennatuurlijk’ proces is, maar deel uitmaakt van onze evolutionaire specialisatie in sociale vaardigheden ( zie bijv. Ons brein-beeld verandert, deel 2, § Ons sociale brein ).
Daarom beschikken wij over aanlegfactoren die, onder invloed van vaak zeer uiteenlopende culturele invloeden binnen de ouder-kindrelatie worden geactiveerd en ‘geoefend’.
Dit maakt van de sociaal-emotionele ontwikkeling impliciet een morele ontwikkeling die al vanaf de geboorte begint..
Hij heeft aannemelijk gemaakt dat in dit proces positieve emoties een gunstige invloed hebben.
Met de ontwikkeling van de drie morele kernfuncties ( wederkerigheid, empathie en internaliseren van normen en waarden ) wordt de morele basis gelegd voor de rest van ons leven.
Zijn theorie behandelt alleen de infant-periode. Hoe de gewetensontwikkeling daarna, met het toenemen van cognitieve en sociale vaardigheden, verder verloopt heeft hij niet uitgewerkt.
Als neo-Freudiaan heeft hij Freud’s theorie op belangrijke punten meer in overeenstemming gebracht met die van andere wetenschappen, zoals de infant-research en de neurobiologie.
Zijn visie op ontwikkeling is onder invloed van de dynamische systeemtheoirie integratief en holistisch van aard. Dat maakt zijn ideeën complex en niet ‘gemakkelijk’ toegankelijk. Toch is hij voor degenen die zich met de morele ontwikkeling bezighouden een pionier en inspirator geweest en is dat nog steeds.
Als kinderpsychiater zou ik wensen dat ideeën over het disfunctioneren van het geweten in zijn ‘geest’ worden uitgebouwd.

Samenvatting door Emde zelf

Toespraak vanwege zijn eredoctoraat op 7 mei 2015
(duur 22 min; Engels)


——————————————————————- ©2016 horsey — geheel niwuwe versie op 30-05-2022

Info over de website → klik op Zoektocht / Home , Wegwijs of Inhoud
Plaats een reactie → scroll naar beneden of klik op Discussie
Met de Terug-knop van je browser ‘spring’ je naar de vorige webpagina.


  1. Bij infants gaat het vaak om nog jongere kinderen: van 0 tot 2 of 3 jaar. Bij kinderartsen zijn infants zelfs meestal zuigelingen, terwijl het in het Engelse taalgebied om kinderen tot 7 jaar kan gaan; zie Van Dale online 2021 E-N
  2. Emde, R. N. (1988). Development terminable and interminable: I. Innate and motivational factors from infancy. International Journal of Psycho-Analysis, 69, 23-42.
  3. Emde, R. N. (1988). Development terminable and interminable: II. Recent psychoanalytic theory and therapeutic considerations. International Journal of Psycho-Analysis, 69, 283-296.
  4. Vanwege de leesbaarheid zijn hier Infant, baby en kind steeds met mannelijke voornaamwoorden aangeduid.
  5. Deze en de navolgende biografische informatie is ontleend aan een interview, dat Marshall Haith, in 1996/1997 met hem hield vanwege zijn bijdragen aan de SRCD: Society of Research of Child Development
  6. zie wiki Dewey
  7. Mead, G. H. (1934). Mind, self and society. Chicago: University of Chicago Press.
  8. zie bijv., Spitz, R.A. (1950). Psychiatric therapy in infancy. Am J Orthopsychiatry 20(3): 623-633.
  9. Spitz, R. A. (1945). Hospitalism; an inquiry into the genesis of psychiatric conditions in early childhood. Psychoanal Study Child 1: 53-74.
  10. Spitz, R. A. (1946). Anaclitic depression; an inquiry into the genesis of psychiatric conditions in early childhood. Psychoanal Study Child 2: 313-342.
  11. Polak, P. R., Emde, R. N., & Spitz, R. A. (1964). The smiling response. I. Methodology, quantification and natural history. Journal of Nervous and Mental Disease, 139, 103-109.
  12. Polak, P. R., Emde, R. N., & Spitz, R. A. (1964). The smiling response. II. Visual discrimination and the onset of depth perception. Journal of Nervous and Mental Disease, 139, 407-415.
  13. zie Spitz, R. 1957. No and Yes: On the Genesis of Human Communication. New York: International Universities Press.
  14. zie bijv. Brazelton, T. B., Koslowski, B., & Main, M. (1974). The origins of reciprocity:
    The early mother-infant interaction. In M. Lewis & L. A. Rosenblum, The
    effect of the infant on its caregiver. Wiley-Interscience; of: Bullowa, M. (1979). Before speech : the beginning of interpersonal communication. Cambridge ; New York: Cambridge University Press.
  15. zie Stern, D. (1990). Diary of A Baby. New York: Basic Books.
  16. Schore, A.N. (1994). Affect regulation and the origin of the self: The neurobiology of emotional development. Hillsdale, NJ: Erlbaum.
  17. Emde Interview by Marshall Haith. At the University of Colorado Medical Center November 20, 1996, December 3, 1996, and early 1997.
  18. Emde, R. N. (1988). Development terminable and interminable: I. Innate and motivational factors from infancy. International Journal of Psycho-Analysis, 69, 23-42.
  19. Trevarthen, C. (1979). Communication and cooperation in early infancy. A description of primary intersubjectivity. InM. Bullowa (Ed.), Before speech: The beginning of human communication (pp. 321–347). London: Cambridge University Press.
  20. Emde, R. N. (1998). Early emotional development: New modes of thinking for research and intervention. In J. G. Warhol (Ed.), New perspectives in early emotional development (pp. 29-45). Johnson & Johnson Pediatric Institute.
  21. Emde, R. N. (1991). Positive emotions for psychoanalytic theory: Surprises from infancy research and new directions. Journal of the American Psychoanalytic Association, 39(Supplement), 5-44.
  22. zie bijv. Stern, D. (1985). The Interpersonal World of the Infant. View from Psychoanalysis and Developmental Psychology. New York: Basic Books.
  23. vgl. Piaget; zie Kohlberg § De onbekebde Piaget
  24. Emde, R. N., Biringen, Z., Clyman, R. B., & Oppenheim, D. (1991). The moral self of infancy: Affective core and procedural knowledge. Developmental Review, 11, 251-270.
  25. Schore, A.N. (2001a). Effects of a secure attachment relationship on right brain development, affect regulation, and infant mental health. Infant Mental Health Journal, 22, 7-66.
  26. Emde, R. N., & Spicer, P. (2000). Experience in the midst of variation: New horizons for development and psychopathology, Development and Psychopathology, 12, 313-331
  27. zie bijv. de Waal, F. (2019). Mama’s laatste omhelzing: over emoties bij dieren en wat ze ons zeggen over onszelf. Atlas Contact.
  28. Deze duidt een persoonlijke opmerking van de auteur aan.
  29. Mahler, S. and Pine, M.M. and F., Bergman, A. (1973). The Psychological Birth of the Human Infant, New York: Basic Books.
  30. Emde, R. N. (1992). Individual meaning and increasing complexity; contributions of Sigmund Freud and Rene Spitz to developmental psychology. Developmental Psychology, 28(3), 347-359.
  31. Stapert, W., & Smeekens, S. (2011). Five year olds with good conscience development. The Psychoanalytic Study of the Child, 65(1), 215-244. Artikel is hier voor download beschikbaar
  32. Smith, L. B., & Thelen, E. E. (1993). A dynamic systems approach to development: Applications. In This book grew out of a workshop,” Dynamic Systems in Development,” held for the Society for Research in Child Development in Kansas City, KS, Apr 1989.. The MIT Press.
  33. zie Thelen, E., & Smith, L.B. (2006). Dynamic systems theories. In R.M.Lerner &W. Damon (Eds.), Handbook of child psychology (6th ed.): Vol. 1, Theoretical models of human development (pp. 258–312). New York: Wiley.
  34. zie Overton W.F. 2006 Systems Theory. in: Damon, W., & Lerner, R. M. (Eds.). (2006). Handbook of Child Psychology, Theoretical Models of Human Development. John Wiley & Sons.
  35. Galatzer-Levy, R.M (2017). An Interview with Robert Emde, Part I. The American Psychoanalyst, 51 (4) 5-6, 19-20 ; Galatzer-Levy, R.M. (2018). An Interview with Robert Emde, Part II. The American Psychoanalyst, 52 (1) 1, 8-10.
  36. Emde, R.N., and Leuzinger-Bohleber, M. (Eds.). (2014). Early Parenting and Prevention of Disorder: Psychoanalytic Research at Interdisciplinary Frontiers. London: Karnac Books.
  37. Trevarthen, C and Aitken, KJ (2001) Infant intersubjectivity: research, theory, and clinical applications. Journal of Child Psychology and Psychiatry and Allied Disciplines 42(1): 3-48
  38. Emde, R. N. (1985). The affective self: Continuities and transformations from infancy. In J. D. Call, E. Galenson, & R. L. Tyson (Eds.), Frontiers of infant psychiatry, Vol. II (pp. 38-54). New York: Basic Books.
  39. Emde, R. N., Biringen, Z., Clyman, R. B., & Oppenheim, D. (1991). The moral self of infancy: Affective core and procedural knowledge. Developmental Review, 11, 251-270.
  40. Emde, R. N. (1992). Social referencing research: Uncertainty, self, and the search for meaning. In S. Feinman (Ed.), Social referencing and the social construction of reality in infancy (pp. 79-94). New York: Plenum Press.
  41. Biringen, Z., Emde, R. N., & Pipp-Siegel, S. (1997) Dyssynchrony, conflict, and resolution: Positive contributions to infant development. American Journal of Orthopsychiatry, 67(1), 4-19.
  42. Emde, R. N., & Oppenheim, D. (1995). Shame, guilt and the oedipal drama: Developmental considerations concerning morality and the referencing of critical others. In J. P. Tangney & K. W. Fischer (Eds.), Self-conscious emotions: The psychology of shame, guilt, embarrassment and pride. New York: Guilford Publications.
  43. Emde, R. N., & Buchsbaum, H. K. (1990). “Didn’t you hear my mommy?”: Autonomy with connectedness in moral self emergence. In D. Cicchetti & M. Beeghly (Eds.), Development of the self through the transition (pp. 35-60). Chicago: University of Chicago Press.
  44. Cummings, E. M. et al (2000) Developmental psychopathology
    and family process: Theory, research, and clinical implications. New
    York: Guilford Press.
  45. Sroufe, L. A. (2000). Relationships,
    development, and psychopathology. In A. J. Sameroff, M. Lewis & S. M.
    Miller (Eds.), Handbook of Developmental Psychopathology (2nd ed.) (pp. 75-91).
    New York: Kluwer Academic/Plenum Press.
  46. Emde, R. N. (2016). From a Baby Smiling. in J. Annas, D. Narvaez and N. E. Snow (Eds.) Developing the Virtues: Integrating Perspectives, pp. 69-94, New York, Oxford University Press.
  47. in voordracht: Emde, R. N. (2011). Bildung, fruhe Moralentwicklung und wechselseitige Relationsprozesse. In K. H. Brisch (Ed.) Bindung und fruhe Storungen Entwicklung (pp. 237-255), Stuttgart: Klett-Cotta. (Published in German).
  48. Kochanska, G. & Aksan, N. (1995): Mother-child mutually positive affect, the quality of child compliance to requests and prohibitions, and maternal control as correlates of early internalization. Child Development, 66, S. 236 – 254.
  49. Kochanska, G., Aksan, N., Knaack, A. & Rhines, H. M. (2004): Maternal parenting and children’s conscience: Early security as moderator. Child Development, 75 (4), S. 1229 – 1242
  50. Forman, D. R., Aksan, N. & Kochanska, G. (2004): Toddlers’ responsive imitation predicts preschool-age conscience. Psychological Science, 15, S. 699 – 704.
  51. Stapert, W., & Smeekens, S. (2011). Five Year Olds with Good Conscience Development. Psychoanalytic Study of the Child, 65, 215-244. Artikel is hier voor download beschikbaar
  52. Mahler, S. and Pine, M.M. and F., Bergman, A. (1973). The Psychological Birth of the Human Infant, New York: Basic Books.
  53. Stern, D. (1985). The Interpersonal World of the Infant. View from
    Psychoanalysis and Developmental Psychology. New York: Basic Books.
  54. Trevarthen 2001 Infant Intersubjectivity: Research, Theory, and Clinical Applications J Child Psychol. Psychiat. 2001, Vol. 42, No. 1, pp.3–48
  55. Kochanska , “Mutually responsive orientation between mothers and their young children : A context for the early development of conscience ,” Current Directions in Psychological Science 11 ( 6 ) ( 2002 ) : 191–195
  56. Gallese, V., Eagle, M. N., & Migone, P. (2007). Intentional attunement: Mirror neurons and the neural underpinnings of interpersonal relations. Journal of the American psychoanalytic Association, 55(1), 131-175.
  57. Vygotsky, L. S. (1978). Mind in Society: The Development of Higher Psychological Processes. Cambridge, MA: Harvard Univ. Press.
  58. Bretherton, I. (1991). Pouring new wine into old bottles: The social self as internal working model. In M. R. Gunnar & L. A. Sroufe (Eds.), Self processes and development (pp. 1–41). Lawrence Erlbaum Associates, Inc.
  59. Emde, R. N. (2009). From ego to “we-go”: Neurobiology and questions for psychoanalysis- commentary on papers by Trevarthan, Gallese, and Ammaniti & Trentini, Psychoanalytic Dialogues, 19 (5) 556-564.
  60. Emde 2016, idem
  61. bijv. Haidt 2007 The new synthesis in moral psychology. Science 316, 998-1002
  62. F F.B.M . De Waal , Good natured : The origins of right and wrong in humans and other animals ( Cambridge , MA : Harvard University Press , 1996
  63. E . Warneken and M . Tomasello , “ Altruistic helping in human infants and young chimpanzees , ” Science 311 ( 2006 ) : 1301 – 1303
  64. Hauser , M.D. Moral minds : The nature of right and wrong. New York : Harper Collins , 2006
  65. Gallese, V. et al, “ Intentional attunement : Mirror neurons and the neural underpinnings of interpersonal relations.” J of the American Psychoanalytic Association 55 ( 2007 ) : 131 – 176
  66. Iacoboni , M . Mirroring people : The new science of how we connect with others . New York : Farrar , Straus and Giroux , 2008 .
  67. zie Thelen, E., & Smith, L.B. (2006). Dynamic systems theories. In R.M.Lerner &W. Damon (Eds.), Handbook of child psychology (6th ed.): Vol. 1, Theoretical models of human development (pp. 258–312). New York: Wiley.
  68. Niet echt natuurlijk. Het gaat mij om de op- en neerwaartse beweging. Die laatste moet rust brengen, wat in een achtbaan niet gebeurt. Ik ruil dit beeld graag in voor een beter passende voortstelling
  69. mooi beschreven in de oratie van M. Riksen-Walraven in 2002: Wie het kleine niet eert. Over de grote invloed van vroege sociale ervaringen. Nijmegen: KUN
  70. J. J. Campos, E. A. Walle, A. Dahl, and A. Main, “Reconceptualizing emotion regulation,” Emotion Review 3 (1)(2011): 26-35.
  71. Emde, R. N., & Robinson, J. L. (2000). Guiding principles for a theory of early intervention: A developmental-psychoanalytic perspective. In J. P. Shonkoff, & S. J. Meisels (Eds.), Handbook of early childhood intervention. New York: Cambridge University Press.
  72. Wiki Zero to Three met dc 0-3 en dc 0-5
  73. Wiki Early Head Start ; ook in Alaska: Centers for American Indian and Alaska Native Health
  74. voor details: zie Emde’s CV

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.