Bijlage: Gelezen – een stukje wetenschaptheorie

GELEZEN

Boekbespreking in de rubriek: ‘Reader’ in het Mededelingenblad van de Ned.Ver.voor Psychoanalyse (p.29-33, jrg.5 nr.7, sept. 1990)

♦♦ Gedateerd? Bij mijn weten niet. ♦♦

Het eerste boek heet: Discussions on Child Development en gaat over de theorie van de kinderontwikkeling: Het is het verslag van een werkgroep van grote namen.
Het tweede boek: Orde uit chaos, is van Nobelprijswinnaar  Ilya Prigogine en de filosofe Isabelle Stengers, waarin Prigogine zijn visie op de ontwikkeling van de natuurwetenschappen uiteen heeft gezet.


Titel:  Over een gans die Oedipus heet en over het adagium “Ignis mutat res”.

Kinderontwikkeling

Psychoanalyse en kinderpsychiatrie houden zich allebei bezig met ontwikkeling en met veranderingen die daarbij horen. Veel van onze kennis over kinderontwikkeling is ontleend aan directe observaties van kinderen, zowel in therapeutische situaties, als in normale moeder-kind-interacties, zoals deze o.a. door Margaret Mahler zijn beschreven. Een heel andere manier om ontwikkeling te bestuderen is door te zoeken naar manieren waarop door andere wetenschappelijke richtingen analoge vraagstukken rond ontwikkeling en verandering worden benaderd. Door Mw. Lampl-de Groot is een pleidooi voor deze methode gehouden, o.a. in het hoofdstuk Psychoanalysis and Its Relation to Other Fields of Natural Science1, waarin zij schrijft: “[…] analysis must continue to seek cooperation and augmentation by means of the other branches of psychological science and natural science […]”. Uitgaande van deze gedachte wil ik graag een tweetal boeken bespreken die voor mij op het gebied van de wetenschapstheorie een verrassende ontdekking betekenden.

Het eerste boek heeft geheel en al de theorie van de kinderontwikkeling tot onderwerp: Discussions on Child Development, met als ondertitel: A Consideration of the Biological, Psychological, and Cultural Approaches to the Understanding of Human Development and Behaviour.2 Het geeft een verslag van de Proceedings of the Fourth Meeting of the World Health Organization Study Group on the Psychobiological Development of the Child, die in 1956 in Genève is gehouden. De discussie is voor dit verhaal interessant, omdat door een groep prominente wetenschappers op biologisch, cognitief, emotioneel en cultureel gebied een poging werd gedaan van elkaars ervaringen te profiteren en vervolgens tot een gemeenschappelijke basis te komen voor de verdere bestudering van de kinderontwikkeling. We treffen in deze studiegroep, -die onder voorzitterschap van de bekende kinderpsycholoog Jean Piaget bijeenkomt-, verder o.a. aan: John Bowlby, de kinderpsychologe Bärbel Inhelder, de etholoog Konrad Lorenz, de cultureel antropologe Margaret Mead, de humaan bioloog Tanner, drie electrofysiologen (deskundigen op het gebied van EEG-registraties) en als gasten Erik Erikson en de ‘vader van de systeemtheorie’ Ludwig von Bertalanffy.

Een belangrijk deel van hun discussie gaat over de vraag of er in de verschillende wetenschapsgebieden synchroon verlopende fasen van ontwikkeling te vinden zijn en of ontwikkeling als een continu, dan wel als een discontinu proces moet worden opgevat. De studiegroep komt tot de conclusie dat er geen sprake is van het synchroon verlopen van ontwikkelingsstappen op biologisch, cognitief, emotioneel en/of sociaal terrein. Interessant is in dit verband de opmerking van Lorenz, dat dit niet synchroon verlopen ook ‘survival value‘ heeft, aangezien teveel veranderingen ineens een te grote kwetsbaarheid voor het kind teweeg zouden brengen, zoals we al enigszins kunnen zien rond de geboorte en aan het begin van de puberteit wanneer grote veranderingen in vrij korte tijd elkaar opvolgen. Ondanks het feit dat er geen synchroon verlopende ontwikkelingsstappen worden gemaakt, is men het er wel over eens dat het zin heeft binnen de verschillende wetenschapsgebieden ontwikkelingsstadia te onderscheiden. In dit verband legt Erikson zijn epigenetisch principe uit aan de hand van het schema dat ook in zijn Childhood and Society is te vinden. Piaget geeft vele voorbeelden van zijn observaties van de cognitieve ontwikkeling bij kinderen. Lorenz legt uit, dat hij (psycho)pathologie ziet als het resultaat van disharmoniëren van de snelheden waarmee een aantal structuren en functies zich in een individu ontwikkelen (vgl. de ideeën van Kretschmer). Hij geeft hiervan een voorbeeld uit zijn eigen vakgebied, dat ik u niet wil onthouden:

Bij gedomesticeerde ganzen treden er veranderingen op in de moeder-kindrelatie, waarbij de jonge gans langer als kind zijn moeder volgt, dan dat bij de wilde ganzen gebeurt. Deze laatste zijn echter weer op een eerder tijdstip seksueel actief, dan de eerste. Wanneer nu een wilde gans met een gedomesticeerde paart, dan kan het gebeuren, dat er desynchronisaties van gedragspatronen in het jong optreden, die maken dat de ‘kind’-gans verwoede pogingen onderneemt om met zijn moeder te paren. Lorenz vertelt dat men een dergelijke kruising tussen een wilde en gedomesticeerde Canadese gans vanwege dit gedrag Oedipus is gaan noemen.

Voor mijn relaas echter is vooral van belang, dat tijdens de discussies bij herhaling wordt vastgesteld, dat er weliswaar inmiddels heel wat bekend is over de verschillende stadia van de ontwikkeling van kinderen, maar dat we nog geen inzicht hebben in de manier waarop een kind van het ene stadium naar het andere komt: over het veranderingsproces zelf is nog maar heel weinig bekend. Op dit punt zet Piaget zijn structuralistische theorie uiteen, waarin hij de kinderontwikkeling beschrijft als het resultaat van twee processen (assimilatie en accommodatie) die elkaar aanvullen, maar in tegengestelde richting werken en daardoor voor een dynamisch evenwicht zorgen (door Piaget een equilibratie- toestand genoemd). Piaget zegt er echter bij, dat hij dit model heel bruikbaar vindt voor het beschrijven van een voortgaand adaptatieproces, waarin het kind reageert op de informatie die hem uit zijn omgeving bereikt, maar dat het geen inzicht geeft in en ook geen goed theoretisch model levert voor de wijze waarop een kind van het ene ontwikkelingsstadium naar het volgende overgaat. Piaget heeft vanuit zijn epistemologische belangstelling dit vraagstuk steeds het belangrijkste gevonden.3 Ook Von Bertalanffy’s systeemtheorie blijkt voornamelijk geschikt voor het beschrijven van zgn. ‘steady states’,-eveneens een soort toestanden van dynamisch evenwicht van zgn. ‘open systemen’-, maar evenmin een theoretisch model te leveren voor het veranderingsproces op zichzelf.4 Dit is des te opvallender, daar de systeemtheorie zijn wortels vindt in de biologie, waarin ontwikkelingsprocessen toch ook een belangrijke rol spelen. De humaan bioloog Tanner zegt over de ‘mechanisms of transformation’: “I consider [this] the most fundamental question in our whole field and probably the most important. I am only sorry that I can contribute practically nothing to its elucidation, whereas as a physiologist I might be expected to contribute perhaps the most. The fact is that physiological ignorance on this matter is profound, and professional physiological interest and experiment almost non-existent.”

Ik weet niet of lezing van het bovenstaande bij u dezelfde verbazing oproept als het bij mij deed: hoe is het mogelijk dat noch door de fysica, noch door de biologie of de psychologie een theoretisch model voor veranderingsprocessen wordt geleverd?! Het werd mij ineens veel duidelijker waarom het zo ontzettend moeilijk is om op het gebied van de kinderpsychiatrie en de psychoanalyse research te doen, die voldoet aan de door de natuurwetenschappen geregeerde methodologie: we hebben bij het bestuderen van veranderingsprocessen niet eens een analogon in een van die ‘harde’ vakken om op terug te vallen.

Wellicht denkt u dat het hierbij om gedateerde informatie gaat, want de door mij geciteerde discussie speelde zich alweer bijna 25 jaar geleden af. Echter de bekende kinderpsycholoog Schaffer schrijft hierover in 1986 5, -in een poging een vooruitblik te geven voor de komende dertig jaar voor zijn vakgebied-, dat we inmiddels goed weten hoe kinderen zich normaal ontwikkelen en zich op verschillende leeftijden gedragen, maar dat we nog niet weten hoe ze in die ontwikkeling van punt A naar een volgend punt B komen. Het ‘waarom’ van de psychische ontwikkeling, of inzicht in mechanismen die de veranderingen in de ontwikkeling veroorzaken, ontbreekt. Hiermee verwoordt hij vrijwel hetzelfde als hetgeen in bovengenoemde werkgroep werd geformuleerd.

Orde uit chaos

Toch gloort er in de verte enig licht, tenminste wanneer de ideeën van Ilya Prigogine, een theoretisch natuurkundige die in 1977 de Nobelprijs won, blijken te kloppen. Hij heeft zijn visie op de ontwikkeling van de natuurwetenschappen uiteen gezet in het boek Orde uit chaos6 dat hij samen met de filosofe Isabelle Stengers heeft geschreven. Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel geven de auteurs een overzicht van de geschiedenis van de wetenschapstheorie, te beginnen op 28 april 1686, -de dag waarop Isaac Newton zijn Principia aan de Koninklijke Academie in Londen presenteerde-, tot aan de tachtiger jaren van onze eeuw. Ze zetten overtuigend uiteen hoe de newtoniaanse fysica, ondanks haar grote betekenis voor de ontwikkeling van de wetenschap, tot een deterministische wetenschapstheorie leidde; tot een wetenschapsopvatting waarin het omkeerbaar zijn van waargenomen fenomenen lange tijd als voorwaarde voor echte wetenschap werd beschouwd. Dit wetenschappelijk ideaal werd bijvoorbeeld aangetroffen in de wrijvingloos bewegende slinger. Ook de omloopbaan van een planeet rond de zon is geheel in wiskundige formules te beschrijven en deze wiskunde werd als ‘de taal van de schepping’ beschouwd, waarin uiteindelijk alle fenomenen beschreven zouden moeten worden. Het feit dat er zich om ons heen veel meer onomkeerbare, dan omkeerbare processen afspelen werd genegeerd. Het ‘ignis mutat res’ (het vuur verandert de materie) werd niet erkend, zodat in de theoretische scheikunde b­v. vooral de nadruk lag op het behoud van massa (wet van Lavoisier), terwijl de onomkeerbare verandering die b­v. door verbranding optreedt niet werden bestudeerd. Loochening? In ieder geval is er in de kinderontwikkeling en bij psychotherapeutische veranderingen sprake van onomkeerbare processen, terwijl deze soort veranderingen volgens de ‘officiële wetenschap’ werden genegeerd.

Het ziet er echter naar uit, dat er een onherstelbare barst in dit oude wetenschapsideaal is gekomen. De auteurs beschrijven hoe met het formuleren van de tweede wet van de thermodynamica in het begin van deze eeuw deze barst voor een aantal wetenschappers zichtbaar begon te worden. Een tweede aanslag vormde de relativiteitstheorie van Einstein, hoewel juist deze tot aan zijn dood heeft geijverd voor behoud van het oude wetenschapsideaal, zoals is terug te vinden in zijn uitgebreide wetenschapfilosofische discussies met Niels Bohr. In feite wordt deze discussie door anderen nog voortgezet, maar er zijn steeds meer aanwijzingen dat het oude ideaal niet langer gehandhaafd kan worden. Toevalsfactoren blijken een veel grotere rol te spelen dan ooit is gedacht en wetenschappelijke formules blijken in termen van waarschijnlijkheden en niet in absolute zekerheden te moeten worden geformuleerd. Het ideaal van een objectieve wetenschap, die onafhankelijk is van de onderzoeker, moet worden losgelaten. Het meest indrukwekkend vond ik dit geïllustreerd door het zgn. drie lichamenprobleem (b­v. zon, aarde en maan). Er zijn talloze pogingen ondernomen om een dergelijk dynamisch systeem in een wiskundige formule te vatten, die exact zou kunnen voorspellen waar ieder van de drie lichamen zich in de loop van de tijd ten opzichte van elkaar zou bevinden. Eind vorige eeuw echter werd aangetoond dat het een onmogelijke opgave is om hiervoor een dergelijke determinerende formule te vinden, zoals dat voor de veel eenvoudiger slinger, of voor een systeem dat uit twee lichamen bestaat zo mooi was gelukt. Ik kreeg bij lezing hiervan meteen de volgende associatie: je zou kunnen zeggen dat de natuurwetenschap zich hiermee voor een zelfde cruciaal probleem gesteld ziet als een kind bij het oedipaal conflict: erkennen dat er meer gaande is dan vanuit een egocentrische positie, of duale relatie mogelijk en wenselijk wordt gevonden. De eerste reactie op deze ontdekking was dan ook ontkenning van de consequenties ervan. De nieuwe tak binnen de fysica, de thermodynamica, -die zich bezig houdt met het vermogen dat warmte bezit om energie voort te brengen en die mechanische en thermische verschijnselen met elkaar in verband brengt-, staat deze ontkenning echter niet langer toe. Door de auteurs wordt deze “de eerste wetenschap van het ingewikkelde” genoemd. Het voert in dit verband te ver om de uiteenzettingen in de twee laatste delen van het boek hier te bespreken. Ze behandelen de belangrijkste theoretische implicaties van de verdere ontwikkeling van de thermodynamica en de ‘herontdekking van de tijd’ als essentiële factor in de natuurwetenschap. De klassieke wetenschap legde graag de nadruk op onveranderlijkheid, terwijl in de nieuwe wetenschapsopvatting veranderingen en evolutie in het brandpunt van de belangstelling staan. Prigogine heeft zich gewijd aan de ontwikkeling van theorieën over de onomkeerbare processen in de thermodynamica en van zelforganisatie van systemen. Hij heeft ideeën waarin veel structuralistische principes zijn terug te vinden. Zijn enthousiasme doet soms wat prematuur aan. Overtuigend vind ik echter wel het betoog over de ontwikkeling van de wetenschapstheorie en alleen al door dit gedeelte vind ik het boek zeer lezenswaardig. De laatste twee delen zullen alleen voor degenen die zich met toekomstige ontwikkelingen op het gebied van veranderingsprocessen willen bezig houden interessant zijn. Het ziet er naar uit dat daarvoor dan onvermijdelijk de tweede hoofdwet van de thermodynamica bestudeerd zal moeten worden. Op welk moment dat resultaten oplevert die bruikbaar zijn voor de psychoanalytische en de kinderpsychiatrische theorievorming ligt nog in de toekomst verscholen. Het eerste resultaat is echter bereikt: veranderingsprocessen worden eindelijk door de ‘officiële’ wetenschap erkend.

Noten

  1. Jeanne Lampl-de Groot The development of the mind, Psychoanalytic Papers on Clinical and Theoretical Problems. International Universities Press Inc. New York 1965.
  2. Tanner, J.M. en Inhelder, Bärbel Discussions on Child Development, A Consideration of the Biological, Psychological, and Cultural Approaches to the Understanding of Human Development and Behaviour. Volume Four The Proceedings of the Fourth Meeting of the World Health Organization Study Group on the Psychobiological Development of the Child Geneva 1956. Tavistock Publications, London 1960.
  3. Zie over dit onderwerp: Bringuier, Jean-Claude Gesprekken met Jean Piaget (oorspr.titel Conversations Libres avec Jean Piaget 1977) Meulenhoff, Amsterdam 1982.
  4. Zie over dit onderwerp: Stapert, W.G.H.M. Systeemdenken in de kinderpsychiatrie in: Milders, C.F.A. en van Tilburg, W. Systeemdenken en Psychiatrie, een kritische oriëntatie Van Gorcum, Assen/Maastricht 1988.
  5. Schaffer, H.R. Child Psychology: the future in: J Child Psychol Psychiatry 1986; 6:761-79.
  6. Prigogine, Ilya en Stengers, Isabelle Orde uit chaos De nieuwe dialoog tussen de mens en de natuur (oorspronkelijke titel: Order out of Chaos 1984) Bert Bakker, Amsterdam 1987.

horsey
Amsterdam, juni 1990 / januari 2016