Kenmerken

Voorgaande inventarisatie levert de volgende karakteristieke kenmerken op.

  • Het is een speciale vorm van zelfbewustzijn die je doen en laten op morele kwaliteit beoordeelt: goed of verkeerd.
    Deze omschrijving blijft dicht bij de oorspronkelijke betekenis van conscientia (suneidesis Gr.) waar het woord geweten van is afgeleid.

1 Het valt op dat er steeds sprake is van goed of slecht, van een keuze tussen twee uitersten, zonder tussenliggende gradaties.
Deze vorm van categoriseren van ervaringen is iets waar kinderen al vanaf hun geboorte intensief mee bezig zijn. Ze maken al snel onderscheid tussen prettig en onprettig (bijv. verzadiging–honger, warm–koud); eigen–niet-eigen en dat levert voorkeuren op (bv. in de eerste vijf dagen al voor de geur van de melk van de eigen moeder); maar ook: vaak voorkomend of niet; bekend  of niet (bv. klankgroepen in de taal die ze horen).
Deze vorm van zwart–wit categoriseren is dus al heel vroeg in de ontwikkeling een vertrouwde manier om ervaringen te ordenen.

    • Een stem, een rechtbank: conscientia (en dus geweten) betekent: samem-weten, mede-weten, bij-jezelf-weten.
      Dat komt omdat het geweten wordt ervaren alsof er zich in jezelf een discussie of rollenspel afspeelt, met minimaal twee spelers: één die handelt en één die daar commentaar op levert.
      Voor sommigen voelt het als een rechtszitting, met een rechter, een aanklager, een aangeklaagde en een raadsman. Maar toch ben je het zelf die al die ‘rollen’ speelt.

Er zijn blijkbaar parallelle processen gaande waarbij je je bewust bent van jezelf als iemand die handelt, maar ook van het commentaar dat je zelf op dat handelen hebt.
Voor zelfbewustzijn zijn minstens twee parallelle processen nodig. Voor de gewetensfunctie lijkt het erop dat er minstens drie zijn: een voor het handelen (denken, doen, voelen, etc.); een voor het commentaar (goedkeurend, afkeurend, aansporend) en een voor het signaleren (monitoren) van die twee.

      • Het is persoonlijk: het geweten oordeelt over het eigen handelen, niet over dat van anderen.
        Door het persoonlijke karakter heeft het invloed op je zelfbeeld en zelfgevoel en uiteindelijk op je identiteit. Bijvoorbeeld: “Ik ben geen dief. Dat soort gedrag past niet bij mij.” of “Ik ben een fatsoenlijk/deugdzaam/slecht mens.”

Het zedelijk oordeel van het geweten blijft beperkt tot de eigen persoon, maar maakt m.i. wel deel uit van een algemenere vorm waarbij ook het handelen van anderen wordt beoordeeld.

      • Beloning, straf en plicht. Het volgen van je geweten wordt meestal hoog gewaardeerd. Zeker wanneer dat ingaat tegen je eigenbelang of andere risico’s met zich meebrengt. Die hoge waardering kan een goed gevoel geven (tevredenheid, trots), het zelfrespect vergroten en gemoedsrust geven. Dat zijn positieve gevoelens die als beloning kunnen aanvoelen. Deze positieve kant van het geweten krijgt meestal niet veel aandacht. Het wordt meestal als je plicht beschouwd om te doen wat je volgens je geweten moet doen.
        Het geweten wordt vaak voorgesteld als streng, afkeurend, beschuldigend en straffend. Het kan leiden tot angst en schrik, schuldgevoel, schaamte, wroeging, negatieve zelfwaardering en somberheid. Deze negatieve gevoelens kunnen mild, maar ook heftig zijn en iemands leven gaan bepalen. Ze leiden vaak tot de neiging het onrecht weer goed te maken.

In bovenstaande omschrijvingen mis ik het onderscheid tussen het overtreden van conventies (gedragsregels, fatsoensnormen, e.d.) die als minder ernstig worden beschouwd als overtredingen waarbij aan anderen schade wordt toegebracht (antisociaal gedrag, zoals stelen, vernielen, mishandeling, doodslag, e.d.). Dat onderscheid wordt al door jonge kinderen gemaakt.

    • Autoriteit. Velen ervaren het geweten als een innerlijke instantie met veel, soms zelfs goddelijk, gezag, zodat het ook niet kan falen en strikt moet worden gehoorzaamd.
      Voor anderen kan het geweten echter ruim zijn, of rekbaar; kan het (in slaap) worden gesust, of blijft het mogelijk het met je geweten op een akkoordje te gooien.
    • Het hebben van een geweten wordt erg belangrijk gevonden, want mensen zonder geweten worden gevreesd, omdat ze zonder wroeging en tot alles in staat zijn.
    • Beïnvloeding door de omgeving. Het beeld van het geweten lijkt in sommige opvattingen erg autonoom, maar toch wordt er meestal van uitgegaan dat morele opvattingen worden gevormd en beïnvloed door anderen.
      Voor kinderen zijn dat vooral de ouders en leerkrachten; in de adolescentie de leeftijdsgenoten en idolen; in de volwassenheid, de partner, of anderen die men respecteert (bv. collega;s, dominees, priesters, etc).
      In groepsverband kunnen soms individuen als morele leidsman optreden, het geweten van de groep.
    • Universele waarden of niet? Door sommigen wordt verondersteld dat het geweten volgens universele normen en waarden oordeelt en dat die voor alle mensen gelijk zijn. Meestal beschouwt men deze echter als product van de eigen cultuur.
      Soms wordt ervan uitgegaan dat wel een deel van de normen en waarden voor alle mensen hetzelfde zijn.
    • Intuïtief of overwogen? Volgens sommigen zijn goed- en afkeurende reacties bij een moreel dilemma onmiddellijk en dus intuïtief. Anderen wijzen op het belang van verstandelijke overwegingen om tot een goede keus te komen.
      Ook kunnen dergelijke afwegingen (deels) onbewust verlopen, of door emoties (bv. kwaadheid) of stemmingen (bv. angst en somberheid), of door onnadenkendheid en overmoed (eerst doen, dan nadenken) vertroebeld worden.

———————–————– I.3 ——————————— ©2015 horsey

← naar vorige hoofdstuk: Betekenis van het woord
naar volgende hoofdstuk: Vragen en antwoorden


Informatie over de website →  Wegwijs  of  Inhoudsopgave

Plaats een reactie → klik op  Discussie

Gebruik de Terug-knop linksboven om terug te gaan naar de vorige webpagina.


  1. bij het symbool gaat het om een toelichting van de auteur