Hoffman – gewetensontwikkeling

Hoffman en empathie

Martin Hoffman
Martin Hoffman, ontwikkelings- en sociaal-psycholoog

Hoffman publiceerde al sinds 1963 over opvoeding en morele ontwikkeling 1 en was toen al ervan overtuigd dat empathie daarbij een belangrijke rol speelt. 2 Hij vond daarvoor echter bij vakgenoten weinig gehoor vanwege het opkomend succes van de rationele theorie van Kohlberg waarin nauwelijks plaats was voor emoties.
Pas later kreeg hij erkenning voor zijn bevinding, in die beginperiode, dat opvoedingsmethoden die bij grensoverschr9ijdend gedrag (bijv. slaan van andere kinderen) gebruik maken van inductie veel beter resultaat gaven dan de aversieve conditionering van het behaviorisme.
Bij de inductieve methode wordt van het kind gevraagd zich voor te stellen wat voor gevolgen zijn onaangename gedrag voor het slachtoffer heeft. Daarbij wordt dus een beroep gedaan op diens empathische vermogens. Deze confrontatie en de uitleg erbij leidden vaker tot gedragsverandering dan het straffen van het ongewenste gedrag.

Toen Wilson in 1975  zijn lijvige boekwerk Sociobiology publiceerde, 3, met biologische verklaringen voor sociaal gedrag, trof Hoffman daarin nieuwe argumenten aan voor zijn ideeën. Hij vond dat de traditionele visies van zowel de evolutionaire biologie als van de psychologie weinig ruimte lieten voor het ontstaan van altruïsme en empathie 4. Op zoek naar een vriendelijker mensbeeld en naar een sociaal-psychologische bijdrage op dit gebied zette hij zijn studie van empathie met nieuw enthousiasme voort. Hij zou daar echter  pas echte bekendheid mee krijgen na de afbrokkeling van Kohlbergs imperium op het gebied van de morele ontwikkeling. Sindsdien worden Hoffmans ideeën over de ontwikkeling van empathie vaak gezien als de kern van een theorie over de gewetensontwikkeling.

Hoffman presenteerde zijn ideeën over empathie door middel van het ‘bystander model’, een fictieve voorstelling waarbij iemand, als toeschouwer, getuige is van de nood van een ander en daarop met eigen emoties reageert. Helpen geldt dan als een moreel juiste daad. Wanneer iemand  aan dat empathisch appel geen gehoor geeft, veranderen diens gevoelens, volgens Hoffman, in  schuldgevoelens.

Hoffman beschreef de ontwikkeling van empathie vanaf de geboorte tot in de volwassenheid. 5 De eerste tekenen van empathie, of beter: een voorloper daarvan, zijn te zien wanneer een baby begint te huilen wanneer het een andere baby hoort huilen. Daarbij is nog geen sprake van echt inlevingsvermogen, maar van een soort emotioneel meeresoneren van het ene kind met het andere. Er kan, volgens Hoffman, pas sprake zijn van echte empathie wanneer het kind cognitief goed in staat is om onderscheid tussen zichzelf en anderen te maken. Hij legde die grens bij zeven jaar en voor zijn eigen research onderzocht hij daarom kinderen vanaf die leeftijd.
Anderen echter, zoals Zahn-Waxler 6 en Eisenberg 7, deden onderzoek met jongere kinderen en vonden bij hen al, vanaf twee jaar, tekenen van empathisch gedrag.

Er ontstond veel discussie over wat empathie precies inhoudt. Volgens Zahn-Waxler ervaart de ‘bystander’ daarbij hetzelfde gevoel als degene die in nood verkeert. Volgens Hoffman hoeft dat niet, maar moet het opgewekte gevoel meer met de situatie van de noodlijdende te maken hebben, dan met die van degene die van deze nood getuige is. Volgens Eisenberg echter  moet er niet alleen een gevoel worden opgewekt, maar moet er ook een prosociale actie volgen, zoals hulp verlenen, wil er van empathie sprake zijn.

Hoffman vond dat de neiging om actief te helpen het sterkste was tegenover leden van de eigen groep. Hij constateerde dat er, na de gevoelsreactie, nog een cognitieve evaluatie plaatsvindt om te bepalen wat de betrokkenheid van de ‘bystander’ bij de noodlijdende persoon is en daarmee welke mate van urgentie de noodkreet voor de ‘by-stander’ heeft. Over deze ‘weging’ is nog  weinig onderzoek gedaan en ze wordt nogal eens door ‘voorstanders’ van empathie genegeerd.

Conclusie

Hoffman heeft het belang van empathie voor een goede gewetensontwikkeling aangetoond, maar eigenlijk beschrijft hij vooral de ontwikkeling van prosociale gevoelens en gedragingen.
Hij geeft een interessante verklaring voor het ontstaan van schuldgevoelens, maar niet voor schaamte en trots.

Empathie is essentieel voor een goede gewetensfunctie, maar niet voldoende om de hele werking van het geweten te beschrijven. Verder is het vermogen tot empathie aangeboren, maar moet het, met behulp van volwassenen, nog verder worden ontwikkeld. Hoffman’s eigen pleidooi voor inductieve methoden in de morele opvoeding is dan ook zeer terecht. Wat dat betreft zijn er veel overeenkomsten met de taalontwikkeling: zoals een kind zijn eigen taal van zijn ouders moet leren, zo moet het zich ook, met hun hulp, de moraal van de eigen groep eigen maken.

Onenigheid over de juiste betekenis van het begrip empathie zorgt m.i. voor onduidelijkheid, bijvoorbeeld wanneer er zowel van psychopaten als van autisten gezegd wordt dat ze geen empathie bezitten. Er zijn echter essentiële verschillen tussen deze stoornissen. Gebrek aan klinische ervaring lijkt mij daarbij een rol te spelen.

———————–————– 2.2.I ——————————— ©2016 horsey

Informatie over de website → Wegwijs of Inhoudsopgave

Plaats een reactie → klik op Discussie

Gebruik de Terug-knop linksboven om terug te gaan naar de vorige webpagina.


  1. Hoffman, 1963
  2. Hoffman, 1970
  3. Wilson, 1975
  4. Hoffman, 1981
  5. Hoffman 2000
  6. Zahn-Waxler en Robinson, 1995
  7. Eisenberg en Mussen, 1989