De Waal – gewetensontwikkeling

De oorsprong van onze moraal.

Als etholoog bestudeert en interpreteert de Waal het gedrag van dieren vanuit biologisch perspectief. Als primatoloog zijn de mensapen en de mens daarbij object van onderzoek 1 Door zijn ervaringen met het sociale gedrag van mensapen heeft hij de evolutionaire ontwikkeling van de moraal tot een hoofdthema van zijn werk gemaakt.

Onderzoek bij primaten

frans_de_waal
Frans de Waal — Bioloog, Primatoloog, Etholoog en Evolutionair psycholoog

De Waal begon, in 1975, met het bestuderen van sociaal gedrag van chimpansees, in het Burgers Zoo te Arnhem.
Vanaf 1981 zette hij zijn werk voort in de VS. Eerst in een primatenkolonie in Wisconsin, vanaf 1986, tot op heden, in Atlanta (Georgia), waar hij sinds 1997 directeur is van het ‘Living Links Center’ van het Yerkes National Primate Research Center aldaar.
De Waal is sinds 1996 als hoogleraar verbonden aan de afdeling psychologie van de Emory University iin Atlanta. Sinds 2013 bezet hij ook een leerstoel aan de universiteit van Maastricht.
In 2007 werd hij door het Amerikaanse tijdschrift Time opgenomen in de lijst van 100 invloedrijkste mensen ter wereld.

Een politieke moord

De dramatische dood van Luit, een sympathieke alfa-man in Burgers Zoo, schokte hem diep. Luit werd door twee samenspannende rivalen, die hem zijn leiderspositie betwistten, dermate toegetakeld dat hij later aan zijn verwondingen bezweek 2 Dergelijke extreme gewelddaden komen binnen primatengroepen niet vaak voor. Daarom drong toen pas goed tot hem door hoe belangrijk effectieve conflictbeheersing binnen zo’n groep potentieel gevaarlijke individuen is 3. Ontbreken daarvan zou de overlevingskansen van zo’n groep ernstig in gevaar brengen.
Na die “politieke moord” concentreerde hij zich in zijn werk op “dat wat samenlevingen bijeenhoudt” 4 en daarmee was zijn belangstelling voor de ontwikkeling van de moraal gewekt

Onze moraal begint als groepsmoraal

Voor het beheersen van krachten die de overlevingskansen van de eigen leefgemeenschap in gevaar kunnen brengen zijn de sociale instincten niet toereikend. We worden tenslotte niet met morele richtlijnen in onze genen geboren. Toch moeten sterke krachten, -zoals het najagen van eigenbelang, de drang tot voortplanting, een algemene geldingsdrang en dergelijke-, op de een of andere manier in banen worden geleid.
Onze evolutionaire voorouders hadden redenen om daarvoor mechanismen gericht op samenwerking te stimuleren. 5 Dit leidde bij alle primaten in de loop der tijd tot het ontstaan van morele verworvenheden, die dus ook voor ons mensen gingen gelden.
De Waal brengt ze in drie niveaus onder: 6

1. Emotioneel niveau
In aanleg zijn er al een aantal, gevoelsmatig gemotiveerde, mogelijkheden aanwezig om op de sociale omgeving te reageren. Dat geldt, bijvoorbeeld, voor empathie; voor een geneigdheid tot wederkerigheid; voor een gevoel voor billijkheid; en voor de geneigdheid om relaties te harmoniseren. Deze neigingen vormen het meest basale niveau, het fundament, van onze moraal, waar de twee andere niveaus op voortbouwen.

2. Sociaal niveau
Door de leefgemeenschap wordt op groepsleden druk uitgeoefend om gedrag te vertonen dat samenwerking, cohesie en veiligheid binnen de groep bevordert. Dit gebeurt door het belonen van prosociaal en straffen van asociaal gedrag; tevens door het verbinden van, respectievelijk, een positieve of negatieve status (reputatie) aan die gedragingen. Hierdoor wordt gemeenschapszin gestimuleerd.

3. Cognitief niveau
In aanleg is er ook een vermogen om, -net als bij de taalverwerving-, zo snel mogelijk met de ‘morele taal‘ van de eigen groep vertrouwd te raken en deze vervolgens door internaliseren eigen te maken. Dit leidt tot de vorming van een innerlijk kompas‘. 7 Dat kompas stelt ons in staat door oordelen en redeneren gedrag van anderen en van onszelf (zelfreflectie en -beoordeling) aan de geïnternaliseerde morele richtlijnen te toetsen.

Moraal bij mensapen en mensen

Bovengenoemde niveaus zijn in de evolutie bij mensen het meest ontwikkeld, maar ze zijn ook bij de  mensapen aanwezig.
Zo vond de Waal ook bij hen gedragingen die horen bij het emotionele niveau: empathie, wederkerigheid, gevoel voor billijkheid en bevorderen van groepsharmonie.
Van het sociale niveaus vond hij ook bij de mensapen een aantal van de daarbij horende groepsmechanismen terug, maar zelfs bij de chimpansee, -die de Waal als de in sociaal opzicht meest ontwikkelde mensaap beschouwt-, blijft dat beperkt tot de concrete realiteit en tot zaken waar de betrokken individuen zelf zicht op hebben. Door ons mensen worden de groepsmechanismen systematischer gebruikt en meer gericht op doelen van de gemeenschap als geheel, ook wanneer we er niet persoonlijk bij betrokken zijn.
Op het derde, het cognitieve niveau zijn maar weinig overeenkomsten tussen mens en mensapen te vinden, al spelen cognitie en verstandelijk redeneren zeker mee. Overeenkomsten blijven echter erg speculatief.

Over het geheel genomen zijn er voldoende argumenten om ook bij de mensapen over een moraal te spreken. Dat betekent dat deze moraal al is ontstaan vóórdat de mensensoort zich in het evolutieproces van de andere primaten afsplitste. De basis van onze moraal is dus ouder dan de mens en we vinden die daarom nu ook bij de ons meest verwante soorten terug.


8 “Moraal is ouder dan de mens”

Toen ik deze subtitel van de Waal’s boek “De Bonobo en de tien geboden” 9. las, was mijn eerste reactie: “Nu gaat hij mij een stap te ver!” Maar na lezing van dit boek en enkele andere van zijn publicaties over dit onderwerp, 10 vind ik dat hij gelijk heeft.

♦ Maar wat is ‘moraal’ nu eigenlijk?

Wanneer de Waal over ‘moraal’ schrijft, staat er in het Engels: ‘morality’. Dat begrip wordt in Angelsaksische landen gemakkelijker gebruikt dan het woord ‘moraal’ bij ons. Het kan ook worden gebruikt wanneer wij het woord ‘geweten’ zouden kiezen.

‘Moraal’ heeft meerdere betekenissen. 11
Zo kan het betrekking hebben op morele regels die gelden binnen een sociale groep. de groepsmoraal. Het kan ook gaan om regels die gelden voor een individu, de persoonlijke moraal. Dan kan het veel overeenkomsten vertonen met het begrip ‘geweten’.
Er worden soms fatsoensnormen of conventies mee bedoeld, terwijl het ook betrekking kan hebben op morele regels, zoals de ‘Gouden Regel’, of de ‘Tien geboden’. Het gaat dan om ‘zwaardere’ regels 12 die voorschrijven anderen te helpen en ze geen kwaad te doen, zoals schade berokkenen, letsel toebrengen, deren, benadelen, of beschadigen. 13
Het is een belangrijk onderscheid dat zelfs voor heel jonge kinderen al snel duidelijk is. 14


Een opponent: Tomasello

Over zo’n gevoelig onderwerp blijft natuurlijk discussie bestaan. Een bekende opponent van de Waal’s ideeën is Tomasello, hoogleraar ontwikkelingspsychologie, verbonden aan het Max Planck Instituut in Leipzig. Hij heeft de cognitieve capaciteiten van jonge kinderen vergeleken met die van mensapen.  Hij streeft ernaar uit te vinden wat de menselijke cognitie, in vergelijking met die van andere primaten, uniek maakt. 15
Op dezelfde manier heeft hij zich met de morele ontwikkeling beziggehouden. 16

Overeenkomsten en verschillen
Omdat de Waal en Tomasello vaak van mening verschillen, is het verbazend om te zien over hoeveel ze het eigenlijk wél eens zijn.
Zo gaan ze er beiden van uit dar alle primaten voor de ontwikkeling van cognitie en moraal hetzelfde evolutionaire traject hebben doorlopen, tot aan het moment dat de soorten zich van de hoofdstam afsplitsten.
Dat houdt in dat de evolutionaire ontwikkeling van zowel cognitieve mogelijkheden, als die van de moraal bij alle primaten (dus inclusief de mens) in de beginfase identiek is verlopen, tot en met onze laatste  gemeenschappelijke voorouder.
Het grootste verschil tussen beide onderzoekers zit in de manier waarop ze hun onderwerp benaderen: de Waal is op zoek naar overeenkomsten tussen verwante soorten, terwijl Tomasello vooral naar verschillen zoekt die de mens uniek maken.

Twee stappen
Tomasello denkt dat de evolutionaire ontwikkeling van de moraal bij de mens in twee stappen is verlopen, terwijl  de mensapen niet verder dan de eerste stap zijn gekomen. Hij stelt dat mensen in die tweede stap verfijndere mogelijkheden hebben ontwikkeld om zich in hun soortgenoten in te leven. Hij ziet dit als een essentieel verschil tussen mensen en de aan hen verwante soorten.


Een ‘must’!

de-waal-video
Samenwerking en moraal bij dieren, TED-lezing door de Waal, 17 min. Engels

Klik op de afbeelding:

De Waal laat prachtige voorbeelden zien van samenwerking en moraal bij dieren.

Zeer aanbevolen om een indruk te krijgen van zijn visie en wijze van onderzoek.


Biologen en psychologen over moraal

Biologen en psychologen kijken verschillend naar moreel gedrag.
Bij biologen overheerst de vraag: wat is de survival value van dit gedrag? Oftewel: hoe heeft dit moreel gedrag, in het miljoenen jaren durende evolutionaire proces van natuurlijke selectie, bijgedragen aan de overlevingskansen van de soort?
Dit wordt de ultimate (= uiteindelijke) reden voor het gedrag genoemd.

Psychologen houden zich vooral bezig met de persoonlijke redenen voor het morele gedrag. Oftewel: wat zijn de, meer of minder bewuste, motieven en drijfveren die iemand heeft om, in het hier en nu, dit soort gedrag te laten zien?
Dit wordt de proximate (= dichtstbijzijnde, directe) reden voor het gedrag genoemd.

Het gaat dus om twee heel verschillende vragen over hetzelfde gedrag. De antwoorden op die vragen zijn niet strijdig met elkaar; ze houden meestal verband met elkaar en vullen elkaar aan.
Echter, in discussies over de achtergronden van moreel gedrag worden beide nogal eens door elkaar gehaald. Volgens de Waal is het onderscheid maken tussen ‘proximate’ en ‘ultimate’ verklaringen een van de moeilijkste in het evolutionaire denken. 17


Voorbeeld

Een voorbeeld kan wellicht het verschil verduidelijken.
Het komt wel voor dat een zwemmer in nood door een dolfijn van de verdrinkingsdood wordt gered.
Het ‘ultimate’ motief voor dat gedrag vloeit waarschijnlijk voort uit het repertoire aan ouderlijke zorg dat de dolfijn in de loop van de evolutie heeft ontwikkeld, waardoor hij de neiging heeft gekregen om op de nood van een ander te reageren. Maar de evolutie heeft de dolfijn niet voorbereid op het redden van mensen, wel op het beschermen van het eigen kroost, omdat daardoor de ‘survival’ wordt bevorderd.
Op het ‘proximate’ niveau kan het echter zijn dat deze dolfijn een aantal positieve ervaringen met mensen heeft opgedaan en daardoor ook ontvankelijk is geworden voor de noodkreten van een mens, waardoor het oudergedrag ‘in werking’ komt, ook al is het daar oorspronkelijk niet voor bedoeld.

Deze dolfijn reageert empathisch op de nood van de drenkeling en met een vorm van wederkerigheid die we altruïsme noemen.
In het onderstaande worden wederkerigheid en empathie als twee pijlers van onze moraal besproken.


Waar draait het om bij onze moraal?

Samenwerking door prosociaal gedrag
Bij mensen gaat het bij de ‘ultimate’ redenen voor moreel gedrag vrijwel altijd om gedrag dat de voor onze soort zo belangrijke samenwerking bevordert.
Dit prosociaal gedrag (empathisch reageren, redden van iemand die in nood verkeert, helpen, beschermen, troosten, bemiddelen bij conflicten, etc.)  wordt daarom in alle culturen als ‘goed’ beschouwd, als moreel juist.
Dit geldt echter, in eerste instantie, alleen wanneer dergelijk gedrag binnen de eigen groep plaatsvindt.

Complexiteit stelt eisen
Toch is nu juist voor ons mensen typerend dat wij ook in staat zijn samenwerkingsrelaties aan te gaan met een groot aantal niet-verwante of niet-vertrouwde personen.
Dat kan leiden tot zeer complexe vormen van samenwerking (zoals in grote steden), wat weer speciale eisen stelt aan onze sociale vaardigheden.
Daarom hebben we ons toegelegd op communicatie (zoals taalontwikkeling en inlevend vermogen) en op meer abstracte vormen van rationeel denken (zoals perspectief nemen, hypothetisch-deductief denken) en op bepaalde vormen van geheugen, 18 19.
Volgens Tomasello is ons vermogen tot gedeelde intentionaliteit (het gericht zijn op en delen van gemeenschappelijke doelstellingen) hetgeen ons bij uitstek van andere soorten onderscheidt.

Ook bij andere dieren
Aangezien we een lange historie van evolutionaire aanpassingen met de andere primaten gemeen hebben, is samenwerking ook bij hen in allerlei vormen terug te vinden , evenals overigens bij andere sociale dieren, zoals olifanten, dolfijnen en wolf-achtigen (zie bovenstaande video).

 Twee pijlers van de moraal

“Our success and survival as a species rests on our ability to act on behalf of others.” Caroline Zahn-Waxler 20

Moraal en wederkerigheid

Wederkerigheid is essentieel voor samenwerking. 21 Het gaat over ‘geven en nemen’, ‘iets voor elkaar over hebben’ binnen relaties. Het bevordert niet alleen samenwerking, maar ook groepscohesie en veiligheid in leefgemeenschappen. Daarvoor zijn groepsregels en -normen nodig die door de groep worden gehandhaafd.

Gouden Regel
Wederkerigheid bij mensen ligt ten grondslag aan de Gouden Regel : “Behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden”.
Dit is een universele regel die al heel lang, en wereldwijd, de kern vormt van de moraal van alle culturen. 22

Verwanten en maten
Er zijn eenvoudige en complexe vormen van wederkerigheid. 23 In de Waal’s onderzoek bij primaten vond hij dat wederzijdse uitwisseling het meest en het gemakkelijkst gebeurde tussen verwante individuen.
Ook tussen niet-verwanten kon dat voorkomen wanneer tussen hen intensieve samenwerking bestond. Bijvoorbeeld, bij in het wild levende chimps, tussen mannen die samen de gevaarlijke taak hadden om de buitengrenzen van het groepsdomein te bewaken, of samen jaagden, of coalitiegenoten waren in de ‘politieke’ machtsstrijd binnen de eigen groep.
Bij dergelijke relaties, gekenmerkt door wederzijdse afhankelijkheid en vertrouwen, hoort een soort vanzelfsprekendheid om elkaar te helpen, voedsel te delen, elkaar te vlooien, etc.

Rechtvaardigheid
Ook wanneer er geen verwantschap of intensieve samenwerking bestond, konden in een primatengroep, nog steeds vormen van wederkerigheid voorkomen, maar dan werd scherp in de gaten gehouden hoe de kosten/baten-verhouding uitviel en of daarbij een zekere billijkheid bestond. Wanneer dat niet zo was, kon dat leiden tot protest en bestraffing van de onrechtpleger.
Wederkerigheid is bij mensapen altijd een ‘hot item’. Daarom worden de interacties tussen alle groepsleden onderling door iedereen voortdurend intensief gevolgd.
Dat vereist cognitieve inspanning (geheugen, inschatten van de ‘waarde’ van wat is uitgewisseld, inschatting van de positie in de groep, etc.) en dat maakt de wederkerigheid meer complex.
Hoe groter de emotionele afstand tussen twee individuen, hoe meer dit ‘boekhouden’ van de uitwisseling een rol speelt.
De Waal ziet hierin de basis voor het ontstaan van een gevoel voor rechtvaardigheid dat ook bij ons mensen op dezelfde manier is ontstaan.

Altruisme
Altruïsme is een vorm van wederkerigheid die biologen lange tijd voor raadsels heeft gesteld, omdat men ervan uitging dat het evolutionaire proces zelfzuchtig van aard is. 24 Dit leidde, bijvoorbeeld bij Dawkins 25 tot ideeën over de zelfzucht van onze genen, die onszelf tot egoïsme zou veroordelen.
Bij mensapen komt echt altruïsme vrijwel alleen binnen de eigen groep voor.
Bij mensen kan dat ook ten opzichte van totaal vreemden gebeuren. 26

Evolutie kent geen moraal
De Waal maakt duidelijk dat het evolutionaire proces niet door morele motieven wordt geleid, maar slechts evolutionaire aanpassingen oplevert die de overlevingskansen bevorderen.
Ook het als moreel hoogstaand gewaardeerde altruïsme is blijkbaar zo’n aanpassing die een gunstig ‘survival’-effect kan hebben. Evolutie onttrekt zich echterl aan ethische beoordeling, omdat aan zo’n onpersoonlijk proces geen bedoelingen kunnen worden toegeschreven.

Repitatie
Bij wederkerigheid is ook reputatie van belang. Iemand die andere groepsleden vaak helpt zal zelf ook gemakkelijker worden geholpen. Bij mensen gaat die regel ook op 27

Moraal en empathie

Empathie is het vermogen om zich in de gevoelens en gedachten van  anderen te verplaatsen. 28 De Waal beschouwt empathie en wederkerigheid als de pijlers waarop onze moraal is gebouwd.

Ouderlijke zorg
De Waal beschreef uitingen van empathie bij apen en andere dieren. 29. Hij stelt dat het bij alle zoogdieren voorkomt, maar ook bij andere dieren met ouderlijke zorg voor hun nakomelingen.

Instinctief
Hij beschrijft empathie als een proces dat door de nood van een ander in gang wordt gezet, zonder dat daar een bewust besluit aan voorafgaat. Wel kan een dergelijke reactie, in tweede instantie, op grond van eerder opgedane ervaringen worden bijgestuurd.
De Waal bouwt hierbij voort op de ideeën van Darwin 30 over sociale instincten 31 en over communicatie van emoties 32

Perceptie leidt tot actie
In een artikel verklaren Preston en de Waal een empathische reactie met hun perceptie-actie-model. 33 Ze integreren daarin nieuwe onderzoeksresultaten, zowel uit de ethologie, als de ontwikkelingspsychologie en het hersenonderzoek.
Daarbij krijgen ze het voor elkaar om van vrijwel alle bekende auteurs die zich, op diverse vakgebieden, met empathie bezighouden een reactie op hun artikel te krijgen en, van commentaar voorzien, toe te voegen. (Het lijkt wel alsof alleen al het bezig zijn met het onderwerp empathie samenwerking bevordert!)

Speigelneuronen
Ter ondersteuning van hun model beschrijven ze de werking van spiegelneuronen: hoe in het brein perceptie en actie met overeenkomstige codes in representaties worden ondergebracht. Daardoor wordt bij het waarnemen van andermans actie dezelfde (‘gespiegelde’) gevoelsreactie opgeroepen als wanneer die actie door de waarnemer zelf zou worden uitgevoerd.

Affectieve afstemming
Het empathisch proces leidt tot imitatie, in houding en expressie, van degene die in nood verkeert. Daardoor kan men zich beter in het gevoel van die ander verplaatsen. Deze reactie is zowel automatisch als onbewust, waardoor gevoelsuitingen, zoals huilbuien, ongewild aanstekelijk kunnen werken op iemand die daar getuige van is.
Een dergelijke affectieve afstemming bevordert prosociaal gedrag en daarmee de samenwerking waar het allemaal om draait.
Wanneer deze afstemming ontbreekt, kunnen ernstige problemen ontstaan.
De auteurs illustreren dit aan de hand van twee stoornissen waarbij het sociale functioneren zeer afwijkend is: psychopathie en autisme.


Evolutie, moraal en geweten

Onze moraal danken we dus aan evolutionaire aanpassingen die de overlevingskansen van onze soort ten goede zijn gekomen. Maar hoe zit dat met ons geweten? Geldt daarvoor dezelfde ‘ultimate’ redenering?

Innerlijk kompas
Darwin gebruikt in zijn werk herhaaldelijk de termen ‘conscience’ of ‘moral sense’ . 34 De Waal gebruikt de term ‘conscience’ of ‘geweten’ niet. 35
Hij duidt het wel eens aan als “internal compass” 36 dat door internaliseren van de groepsregels tot staand komt, maar werkt een eventueel ‘ultimate’ belang ervan niet uit. 37
We kunnen echter proberen uit te zoeken of het evolutionair perspectief ons over het geweten iets duidelijk kan maken.

Groepsdruk
Zoals in het bovenstaande al is besproken, draait het allemaal om evolutionaire aanpassingen die de samenwerking, cohesie en veiligheid binnen de eigen groep bevorderen.
Een van de middelen om dat te bereiken is het uitoefenen van groepsdruk op de groepsleden om op samenwerking gericht gedrag te vertonen. Belonen en straffen zijn dan geijkte middelen.
Maar dat vergt wel voortdurend toezicht op en handhaving van de betreffende groepsregels, wat veel tijd en energie kost. Bovendien is het voor de individuele groepsleden onaangenaam om van externe controle afhankelijk te zijn.

Voordelen van een geweten
Het zich eigen maken van de groepsregels (internaliseren) en zelf de controle over het eigen gedrag uitoefenen heeft zowel voor de groep als voor het individu grote voordelen.
Het individu komt niet voortdurend in aanvaring met de rest van de groep, wat de cohesie en veiligheid bevordert en daarmee ook de condities voor samenwerking.
Bovendien kan de groep een groot deel van de tijd en energie die anders voor de handhaving moet worden gebruikt aan andere overlevingsstrategieën (bijvoorbeeld voedsel zoeken) besteden.

Gewetensfunctie
De individuele groepsleden nemen daarom zowel de groepsnormen als de controlemiddelen over:
Zelf-observatie en zelfreflectie zorgen voor feedback 38 die innerlijke straf of beloning kunnen uitlokken:
— beschuldiging wordt zelfverwijt en schuldgevoel;
— vernedering en belachelijk maken worden schaamte;
— lof en complimenten worden zelfwaardering en trots.

Dus: zelfbeoordeling en morele gevoelens vervangen de groepstaak in belangrijke mate: de gewetensfunctie doet het werk.

Mij lijkt het goed mogelijk dat, vanuit het ‘ultimate’, evolutionaire perspectief, door de vorming van het geweten winst is geboekt voor de overlevingskansen van de mensensoort. 39

Varia

De Waal’s enthousiasme voor zijn onderwerp werkt aan­ste­ke­lijk en brengt me ertoe een paar grensgebieden van ons onderwerp op te zoeken.

Seksuele moraal

Wanneer wij in de mensenwereld over moraal spreken, gaat dat vaak over seksuele moraal. Dit kan gaan over conventies, zoals welke kleding in welke omstandigheden betamelijk wordt gevonden, maar ook om normen en waarden die van grote invloed kunnen zijn op de groepscultuur, zoals opvattingen over monogamie, homoseksualiteit, incest, etc.

Ook op dit gebied valt er van onze naaste verwanten te leren.
De Waal beschrijft de seksuele groepscultuur van de bonobo’s 40 en van de chimpansees 41 Hij signaleert daarbij interessante verschillen,
Voor onze eigen soort ziet hij overeenkomsten met aspecten van de seksuele cultuur van beide verwanten. 42

Bonobo’s: Make love, not war
De bonobo’s leven in een matriarchaat, waarin de onderlinge relaties door seksuele contacten worden ‘onderhouden’, zowel voor het oplossen of voorkomen van onderlinge spanningen en agressie, als voor het tonen van vriendschap en genegenheid. En steeds zowel tussen leden van hetzelfde, als tussen die van verschillend geslacht. ‘Make love, no war’ lijkt hier het devies.
Aangezien er vaak van seksuele partner wordt gewisseld, weten de mannen niet wie hun kinderen zijn. Daardoor kunnen ze geen vrouwen en kinderen voor zichzelf claimen. De mannen zijn sterker dan de vrouwen, maar deze maken, door hechte onderlinge relaties, in de groep de dienst uit.
Om incest te voorkomen worden geslachtsrijpe meisjes met andere bonobo-groepen uitgewisseld, wat ook de ontmoetingen met deze ‘vreemdelingen’ minder beladen en gewelddadig maakt dan bij de chimps.

Chimps: Machocultuur
Bij de chimps zijn de mannen dominant, overheersen rivaliteit om de leidersrol en imponeergedrag, waarbij gemakkelijk conflicten over seksueel aantrekkelijke vrouwen kunnen ontstaan. De mannen weten precies wie hun kinderen zijn.
De vrouwen kunnen in de groep wel een belangrijke rol spelen, als bemiddelaar bij conflicten en ook bij ‘politieke’ strijd door één van de rivalen te steunen. Wanneer ze een jong hebben, leven ze vaak buiten de groep, waarbij ze zich terugtrekken naar de rand van het groepsdomein, tot het kind zelfstandig genoeg is om weer in de groep te kunnen functioneren.
Uitwisseling van geslachtsrijpe vrouwen met vreemde groepen gebeurt bijna nooit. Confrontaties tussen patrouillerende mannen van verschillende groepen kunnen tot bloedige strijd leiden. Fysieke kracht is daarom voor chimps erg belangrijk, zowel binnen de groep, als daarbuiten. De mannen zijn dan ook groter en forser gebouwd dan bij de bonobo’s.
Een machocultuur dus; heel anders dan bij de bonobo’s, terwijl deze soorten zeer nauw verwant zijn.

Misvattingen

De Waal is een gedreven pleitbezorger van Darwin’s evolutietheorie. Het is verbazend hoeveel van de ideeën die hij met zijn werk onderbouwt en ons vaak nieuw in de oren klinken, al door Darwin zijn geformuleerd.
Ook is opvallend hoeveel van de bezwaren tegen Darwin’s theorie, ondanks overtuigende weerlegging ervan, door ontwikkelde personen nog steeds onveranderd worden geponeerd. Zo lieten, in een debat tussen Republikeinse presidentskandidaten in 2007, drie van hen weten niet in de evolutie te geloven. 43

De Waal is onvermoeibaar bestrijder van misvattingen die over of rond Darwin’s theorie zijn verkondigd , zoals:

  • De Natuur is wreed en zelfzuchtig. De moraal is een uitvinding van de mens die dankzij zijn ratio tot zelfkritiek in staat is en daardoor naar het goede kan streven. De ratio maakt van de mens een moreel wezen.
  • De evolutietheorie leert ons ‘het recht van de sterksten‘. Het helpen van zwakkeren is verwerpelijk, want dat gaat in tegen de wetten va de Natuur
  • De aard van de mens is slecht. Slechts door de cultuur, die hij dankt aan zijn rationeel inzicht, kan de mens zijn slechte neigingen de baas worden. Maar het blijft maar een dun laagje aan de buitenkant dat gemakkelijk doorbroken kan worden, waarna ‘de ware’ en ‘beestachtige‘ aard van de mens, met al zijn kwade neigingen, te voorschijn zal komen.
    De Waal noemt dit de vernistheorie.44
  • De mens onderscheidt zich van de dieren door zijn ratio en moraal. “De evolutie houdt op bij het hoofd”. 45 De rest van ons lijf volgt de evolutie, maar ons hoofd, of onze geest, valt daarbuiten.
  • Dieren hebben geen emoties, motieven, intenties, of gedachten. Ze worden als ‘automaten’ bestuurd door hun instincten. [de Waal 2016. Zijn we slim genoeg …?]
  • Dieren kunnen niet denken, want daar heb je taal voor nodig. Dat blijkt echter niet te kloppen. 46 Zie verder onder Ons Mensbeeld verandert.

Van nature goed?

De oorspronkelijke titel van de Waal’s boek luidt: Good Natured 47 wat zoets betekent als: ‘vriendelijk en opgewekt van aard’.
Hij gaat daarmee in tegen een vaak gehoorde stelling: de mens is van nature slecht.
Calvijn, bijvoorbeeld, verwoordde dat zeer nadrukkelijk:

 “De mens is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”, zo staat er in de Heidelbergse Catechismus.
en:
“Een mens is zoals hij is niet slechts door de gebreken van zijn gewoonten, maar vooral door de verdorvenheid van zijn natuur.” 48

De Waal laat zien dat de evolutie ons heeft toegerust met de capaciteit vor emotioneel gemotiveerde prosociale vaardigheden die ons ertoe aanzetten om met anderen rekening te houden. Is daarmee het deprimerende mensbeeld van de ‘verdorven mens’ ontkracht?
De Waal laat er geen twijfel over bestaan dat hij ook oog heeft voor de egocentrische en asociale neigingen van mensen en dat de prosociale nodig zijn om die te beteugelen. Maar zijn die daarom ‘goed’?
Blijkbaar leverde die evolutionaire aanpassing grotere overlevingskansen op. Het ontstaan van (groeps)moraal hoorde daarbij. Maar het evolutionaire proces heeft  geen boodschap aan morele oordelen. Het heeft ook geen doel of bedoeling, het levert enkel, door natuurlijke selectie, een resultaat op: een betere aanpassing aan de leefomgeving en daardoor betere overlevingskansen. Geen in morele zin betere wereld .

De eigen groep
Een voorbeeld: prosociale gedragingen (redden, helpen, beschermen, zorgen, bemiddelen, etc.) worden in de meeste culturen moreel goed gevonden. Maar de geneigdheid tot prosociaal gedrag werkt het sterkst voor de eigen groep. Voor medemensen die we niet kennen en die veraf wonen wordt veel minder empathie gevoeld. 49.
Dat kan er, bijvoorbeeld, toe leiden dat hulpgoederen die naar een arm land zijn gestuurd ten behoeve van kinderen in een weeshuis, door de ‘verzorgers’ van die kinderen aan hun eigen familieleden worden uitgedeeld, omdat de ‘goede natuur’ hen dat influistert.
Die ‘natuurlijke’ neiging zal echter door de hulporganisatie, naar onze westerse maatstaven, scherp worden veroordeeld. Waarschijnlijk zullen de familieleden van de ‘verzorgers’ daar weer anders over oordelen. Die ‘vreemde’ kinderen horen immers niet tot de eigen groep.

Moral reasoning
Onze ‘goede natuur’ bevordert prosociaal gedrag, maar geeft geen richtlijnen voor de toepassing ervan. Daar zullen we toch nog zelf over moeten nadenken (moral reasoning). En dat kan, ook al hebben alle mensen dezelfde ‘set’ prosociale drijfveren, toch nog heel grote culturele verschillen in normen en waarden opleveren.


Conclusie

De Waal laat zien dat moraal geen uitvinding van de mens is en ook niet exclusief bij de mens hoort.
De oorsprong ervan ligt in evolutionaire aanpassingen die samenwerking binnen de eigen groep moesten bevorderen om daarmee de overlevingskansen te vergroten. Dergelijke aanpassingen ontstonden al vóórdat de mens zich als aparte soort van de evolutionaire hoofdstam afsplitste, zodat ze ook bij andere primaten zijn te vinden.
Voor het bevorderen van samenwerking werden groepsregels nodig. Dat leverde een flexibele vorm van aanpassing op die, naargelang omgevingsfactoren dat vereisten, kon worden bijgesteld. Internaliseren van de groepsregels vergrootte vervolgens de effectiviteit ervan. Groepsmoraal leverde de basis voor persoonlijke moraal.
Deze uitleg geeft de ultimate verklaring voor het ontstaan van onze moraal. Ze is vanuit biologisch perspectief geformuleerd en levert een soort grondbeginsel op dat voor alle mensen geldt.
Daarnaast kan ook een proximate verklaring worden gegeven. Deze respecteert nog steeds het grondbeginsel, maar is vanuit psychologisch perspectief geformuleerd, waarbij het accent op de individuele ontwikkeling en ervaring komt te liggen.

Als bioloog heeft de Waal met de ultimate verklaring de meeste affiniteit. Met het proximate gezichtspunt is hij minder vertrouwd. Misschien is dat de reden dat hij het begrip geweten, dat individueel van aard is, vrijwel niet gebruikt.
Daarbij horen persoonlijke beleving, zelfbeeld, zelfreflectie, zelfbeoordeling, moreel redeneren, omgaan met morele emoties en gevoel van eigen verantwoordelijkheid. Voor dit soort mentale processen ziet de Waal bij dieren geen equivalenten. 50
Ook opvoeding, rijping en ontwikkelingsfasen komen weinig aan bod.
De Waal blijft dus bij zijn biologische leest, wat zijn visie extra overtuigend maakt.

De Waal levert geen model voor de gewetensontwikkeling zoals we dat vanuit de ontwikkelingspsychologie kennen. Maar zijn verklaring voor het ontstaan van onze moraal geeft aan die psychologische theorieën een ondergrond en maakt het verhaal over het geweten completer, zoals iemands voorgeschiedenis veel duidelijk kan maken over diens karakter, mogelijkheden, kwetsbaarheden en motieven.
Bovendien zou het kunnen zijn dat het brede theoretisch kader van de biologie geschikt zal blijken te zijn om een integrerend model te leveren voor de vele aspecten die bij ons onderzoek van de gewetensfunctie in de voorgaande hoofdstukken aan de orde zijn geweest.

———————–————– 2.2.6 ——————————— ©2017 horsey

INFO

Informatie over de website → Wegwijs of Inhoud
Plaats een reactie → klik op Discussie
Gebruik de Terug-knop linksboven om terug te gaan naar de vorige webpagina.


  1. zie de inleiding tot zijn werk in: Ons mensbeeld verandert
  2. de Waal 1982. Chimpansee politiek.
  3. Chimps zijn kleiner dan mensen, maar ze zijn veel sterker en hebben vervaarlijke hoektanden
  4. de Waal 2009. Een tijd voor empathie, p.44
  5. de Waal 2006. The tower of Morality
  6. de Waal 2006. idem. De naamgeving van de niveaus is door mij wat aangepast
  7. Je zou dit ook het geweten kunnen noemen, maar  de Waal gebruikt dit begrip niet in zijn werk
  8. Een rode ruit = commentaar van de auteur
  9. de Waal 2013. De bonobo en de tien geboden
  10. de Waal, e.g. 1996, 2006
  11. Zie Betekenis van het woord
  12. De Waal duidt ze aan met: “Help, not harm”-regels
  13. Van Dale EN-NL online 2017 vertaling van”harm”
  14. bijvoorbeeld: niet in je blootje over straat lopen, versus: iemand een klap geven
  15. Tomasello 2014. A natural history of human thinking.
  16. Tomasello 2015. A natural history of human morality.
  17. de Waal 2009 Empathie; noot 39
  18. de Waal 2016. … slim genoeg… ?
  19. Tomasello 2015. … human morality
  20. In inleiding in Padilla 2014. Prosociial Development
  21. de Waal 2009. Een tijd voor empathie
  22. Boehm 2008.  Purposive social selection and the evolution of human altruism
  23. de Waal e.a. 2006. Simple and Complex Reciprocity …
  24. de Waal 2007. Aap en filosoof
  25. Dawkins 1976. The selfish gene
  26. de Waal 2006. The tower of morality
  27. Boehm 2014. The moral consequences of social selection
  28. zie ook het hoofdstuk over Hoffman
  29. de Waal 1996. Van nature goed; 2009 Een tijd voor empathie
  30. 1809 – 1882
  31. Darwin 1871. . descent of man …
  32. Darwin 1872. . expression of emotions …
  33. Preston & de Waal 2002. Empathy: Its ultimate and proximate bases
  34. Darwin 1871. . descent of man …
  35. Ziijn boek ‘Evolved Morality’ …’lijkt hierop een uitzondering, maar daarin wordt de term slechts door één auteur, Boehm, echt gebruikt.
  36.  de Waal 2006. The Tower of Morality, p. 174
  37. zie de paragraaf over groepsmoraal
  38. Boehm 2014. The moral consequences of social selection
  39. zie ook Alexander 1987. The biology of moral systems
  40. de Waal 1997. Bonobo …
  41. de Waal 1999b. Chimpansee politiek
  42. de Waal 2005. De aap in ons
  43. Waal 2009. Empathie, noot 21
  44. Zie ook wat Flack & de Waal (2000) schrijven over de bekende voordracht van Thomas Huxley in 1894: ‘Evolution and Ethics’.
  45. Dit wordt het ‘Wallace-probleem’ genoemd; zie de Waal 2016. Zijn we slim genoeg ..?
  46. Monti 2009. The boundaries of language and thought …
  47. de Waal 1996. Van nature goed
  48. Zie bijv. artikel in Trouw
  49. de Waal 2006. Tower of Morality
  50. de Waal Tower of Morality p. 174